De Ombouw, jeugdherinneringen. Flarden van vroeger.

door Gerard Weel

Inleiding
In deze vijfentwintig korte schrijfflarden wil ik weergeven wat bij mij soms boven komt aan jeugdherinneringen. Ik meende eerst wel van elk achter mij liggend levensjaar iets te kunnen terugvinden, maar al gauw bleek dat zo'n chronologische serie niet haalbaar en -naar ik nu inzie- niet zinvol was. Bovendien is het voor een lezer misschien juist wat afwisselender als het inderdaad flarden blijken: soms uit dromen, soms vermengd met fantasie, soms warempel informatief over vroeger. Het gaat me om uw leesplezier (na míjn schrijfplezier!).

1. (1960) Bardot
Laat ik het maar meteen bekennen: ik droomde haast elke nacht van Brigitte Bardot. Een jaargenoot van me op het seminarie Warmond, die later professor in de sociologie in Leiden is geworden -en uiteraard geen priester-, had in het begin van de jaren zestig een poster van haar aan de wand van zijn kamer. We mochten er -alleen overdag- soms komen om samen bijbel te lezen en zaten daar dan onder haar toezicht. Die lippen! Later hoorde ik anderen wel eens, meestal zingend, over haar borsten, maar bij mij draaide alles om haar lippen. Pruillippen noemde men ze, ik maakte er voor mezelf pruimlippen van. Dat het mogelijk bleek zo’n poster binnen de seminariemuren te handhaven, is me nu nog een raadsel. Misschien was zoiets zo uitzonderlijk dat het reglement er niet in had voorzien. Originaliteiten waren er zo veel mogelijk verboden, maar kennelijk was dit té onvoorstelbaar om in een onderdeel van een paragraaf te worden uitgesloten. Daar komen natte dromen van...

2. (2010) Achtergrond

Denk nu niet, geachte lezer, dat bij deze herinneringen de seks eraf druipt. Integendeel, ik heb een gloeiende hekel aan geschriften waarin de schrijver zich uitleeft in seksscènes en denkt daar de lezer mee te bevredigen. Ik begon met Brigitte om aan te geven dat het mij meer om dromen dan om feiten gaat. Ik wil niet alleen schrijven over wat er precies gebeurd is of gebeurde, ik wil achter de gebeurtenissen kijken. Het zullen wel flitsen worden, niet persé chronologisch -dat zijn dromen ook niet- en met veel verbeelding erin. Maar wel: herinneringen, niet uit de duim maar uit het hoofd. Dromen zijn geen bedrog, toch?
Musa, mihi causas memora...leerde ik in mijn eerste Vergiliuslessen, Breng mij, Muze, de achtergrond te binnen... Hoe komt het toch dat wij van ons doen en voelen het ene wel en het andere niet terugvinden in ons geheugen? Soms na naarstig zoeken, soms spontaan of in onze dromen.

En leest u deze teksten niet in één ruk uit: ze zijn meditatief bedoeld: u zou ze kunnen gebruiken om de in uw geheugen bewaarde flarden van uw eigen leven nog eens onder de loep te nemen. Achter de gebeurtenissen kijkend...

3. (1948) Bedtalk
Jan, slaap je al?
Ja!
Die distels voor de konijnen zijn eigenlijk geen distels maar bladeren van paardebloemen.
Oh!
Welterusten!
Welterusten.

4. (1947) Religieus
Een nieuwe autoped!! Zo noemden we een step. Ik voel me nog staan op de tegels van ons schuurpad. Stralende zon, om me heen en van binnen. Keurig gewassen en in schone kleren. Mijn haar met een kam bewerkt, want er wordt een foto van gemaakt. Alles is mooi en goed.
Wat een geluk dat ik er ben. Korte broek, magere knieën, maar de wereld om me heen is perfect voor mij gemaakt. En andersom!
Een religieuze ervaring?

5. (1945) Eerste Communie
10 mei 1945. Mijn vader is jarig en het is Hemelvaartsdag. Ik doe mijn eerste communie. Afgelopen zaterdag heb ik als net begonnen misdienaar het succes van mijn leven gehad: ik mocht de pastoor zeggen dat mijn ondergrondse oom bevestigd had dat we vrij -van de moffen- waren en dat de vlag uit kon. De klokken konden niet luiden want die waren weggehaald door die rotnazi’s. Pastoor had erbij gezegd dat de oom van deze misdienaar betrouwbaar was. Dansend was ik naar huis gegaan langs de loopgraven op de toen nog niet afgegraven dijk. Thuis moest er iets belangrijks gebeuren: het zuinig bewaarde trouwpak van mijn vader was door een welwillende naaister vermaakt tot communiepak. Ik moest passen. Rechtop staan, omdraaien, handen in de zakken, handen uit de zakken, alleen de broek dus jasje uit, rechtop staan, handen uit de zakken, omdraaien. Sta nou eens stil! Nog een keer: mét jasje. Eén en al oh- en ah-geroep. Ik werd het zat. Ik wou weg. Toen kwam het hoogtepunt: een lefdoekje in de borstzak. Pochet heet dat, leerde ik later. Witte zijde. Hoger erin, lager erin. Mag ik er mijn neus in snuiten? Neeeeeeh! Gelukkig moest het pak pas donderdag aan.
Vandaag dus. In de achterkeuken liggen in een wijde geëmailleerde schotel witte puntbroodjes -‘kadetjes’ zei mijn moeder- klaar met een witte doek erover. De tafel is al gedekt: er staan geurende seringen op in een paar vazen. Het is stralend weer buiten: even feestelijk als in de kerk. Ik dien niet, ik ben feesteling. Veel van Jezus weet ik niet, maar de communie is goed voor je: je wordt er zelf goed door. Ik wil wel goed zijn. Van de pastoor krijgt ieder een herinneringsplaat met zijn handtekening. Thuis mag ik naast mijn jarige vader zitten: hij en ik worden dubbel gefeliciteerd, of eigenlijk iedereen. Ik krijg een eigen kop en schotel met gulden tekst, maar die kunnen beter in de pronkkast bewaard worden. De broodjes zijn lekker en de seringen bewaren de verheven sfeer. Aarde en Hemel gaan in elkaar over. Het pak zit krap, zo’n hele dag. Sommige kinderen, hoorde ik later, kregen eigen gedachtenisprentjes om uit te delen. Ik niet. Geeft niet. Ik kreeg er een van Marian Smit. Jaren bewaard.

6. (1946) Gewenst
‘Elke keer als je over je jeugd vertelt, benadruk je dat je een gewenst kind was’ zegt een klasgenoot op de halfjaarlijkse reünie. ‘Waarom?’ Ik wuif zijn woorden weg maar blijf erover nadenken. Mijn ouders waren beiden de eerste van hún ouders en trouwden als eersten uit die gezinnen. Mijn doodgeboren zusje had het eerste sprankelende kleinkind moeten zijn. Gelukkig kwamen er daarna twee schattige meisjes die veel goedmaakten (niet alles). Toen kwam ik. Een zoon. Het was nog geen oorlog maar die zou wel komen. Maar dat was dus niet het enige nieuws op het dorp. De hele familiekring was blij met mij: de grootouders die naast ons woonden met de daarbij behorende ooms en tantes, de broer van mijn moeder die bij ons inwoonde en mijn moeders moeder -de opa naar wie ik ben vernoemd was in mijn ouders’ huwelijksjaar overleden-, de zusjes en de dorpelingen die met ons meeleefden. Ik mocht er zijn en besefte al gauw dat ik hun verwachtingen moest waarmaken. Wilde je dat ook? Ik denk van wel. Ik heb nooit het gevoel gehad: was ik maar ergens anders geboren of iemand anders geweest. Zoals ik was, zo was ik bedoeld; zo mocht en moest ik er zijn. Misschien ligt daar nu nog mijn “religieuze ervaring”: je bent gemaakt om er te zijn zoals je bent. Wel moet jezelf (en moeten de anderen) zorgen dat je dóórkomt zoals je bent, anders speel je een ander. Anderen hebben -tot op zekere hoogte- recht op je: je bent er ook voor hen. Gewenst zijn, je leven lang. Dat vraagt opvoeding en zelfbeheersing. En durf. Ik voelde me niet ingeklemd, al was ik dat misschien wel. Zo is het nog.

7. (1950) Hageveld?
Ik wil liever niet naar de bouw, ik wil meer leren, misschien pastoor worden. Mijn moeder: Zeker omdat je hebt gezien hoe ze hier op het dorp een priesterfeest vieren. En om de pastoor. Ik zwijg voorlopig, maar doe extra mijn best op school. Zingen, hoofdrekenen, bijles Frans, algebra, ontleding. Doorleren mag ik zeker: van mijn ouders -ik heb intussen drie broertjes-, van de pastoor en van de hoofdonderwijzer. De pastoor bij mijn ouders: Hij is misschien te jong voor het seminarie en onze school is niet zo goed als een stadsschool, maar laat hem niet naar Werenfridus, het roomse lyceum in Hoorn, gaan. Ik zat laatst in de bus met enkele leerlingen van die school. De taal die zij uitsloegen! Dan maar langer op de lagere school. Ik blijf er tot en met de achtste klas en ben op Hageveld blijvend ouder dan de gemiddelde leeftijd van mijn jaargenoten. Het leren ging ook daar goed. Dat wel.

8. (1995) De Onzichtbare
Geloofde je in God? Vast wel. Voor een kind is het gewoon om te geloven in een autoriteit boven zich, ook als die niet zichtbaar is. Voor een volwassene -die het zichtbare kritisch onderzoekt en soms het onzichtbare (voorzover mogelijk)- is het een waagstuk omdat ‘de ervaring’ soms bevestigt, soms ontkent. Mijn vader bewonderde God als schepper: wat was alles in de natuur, hoe bewerkelijk ook, prachtig in elkaar gedraaid! Niet door mensen want zover komen die niet bij alles wat ze bedenken. Je kunt heel wat bedenken en zelfs uitvinden, maar dat kan pas als de schepping er is. Wie heeft de wereld bedacht? Jij niet, al mag en moet je er wel wat van maken. Mijn moeder was kritischer en tegelijk devoter: God was haar steun, Jezus -niet zozeer Maria- haar voorbeeld en de kerk haar leidsman. Later was haar godsbeeld vager maar niet afweziger. Jezus werd meer een figuur-van-toen. Ze volgde de discussie over de historische Jezus in Trouw. De kerk bleek haar een autoriteit op het verkeerde pad. Ze had vroeger alle kerkelijke gebeden met inzet opgebracht maar was teleurgesteld in de volgens haar onverstandige opstelling van de hiërarchie in de naconciliaire periode. Het Tweede Vaticanum zelf had ze met grote interesse gevolgd en ze was blij geweest met de vernieuwing die daarvan uitging. Ze betreurde inwendig net als veel ouders van haar leeftijd het verschil in denken tussen de bisschoppen en haar kinderen en gaf rationeel de laatsten gelijk. Ze had graag gehad dat haar kinderen meer gelovig waren en begreep eigenlijk niet dat ze ‘zonder’ konden.

En jij?
Deze herinneringen vertellen over mijn ombouw. Ik heb nog even opgezocht wat het woordenboek van dit woord zegt. Verbouwing of verandering van bouw zegt Van Dale, ten tweede: omsluitend bouwsel, in het bijzonder om een opklapbed. Het woord bouw heeft bij mij een wat meer symbolische betekenis, misschien omdat mijn vader een (tuin)bouwer was. Bij opbouwend b.v. denk ik aan de groei bevorderend, educatief. Met Ombouw bedoel ik dus iets als hoe ik geestelijk veranderde, uitgroeide in een zich vernieuwende geestelijke wereld om mij heen. En of ik daarmee iets van een dicht bij mijn bed-show weggeef, laat ik in het midden. Ik slaap niet (meer) op een opklapbed, wat ik indertijd -de idealistische zestiger jaren!- wel gedaan heb!
Ik ben anders gelovig geworden door wat er om mij heen ‘gebouwd’ werd. Als kind vond ik ‘dat van God’ vanzelfsprekend. De pastoor ontroerde mij omdat hij zo geloofde, ikzelf wilde eerder leren dan geloven en mijn moeder stimuleerde mij daarin: de pastoor hoeft geen gelijk te hebben, je moet het zelf uitzoeken.
Ik ging naar het seminarie om te leren. Op ons dorp was een student automatisch een priesterstudent en dat klopte dus bij mij. De lessen spraken me meer aan dan de gebeden. Wel was ik in voor het Gregoriaans (en ook voor de polyfonie) en het toneel (ook voor het opkomende cabaret). Daar zat voor mij zeker een religieuze bekoorlijkheid in. Onder ‘religieus’ versta ik: uitbrekend, verwijzend, een nieuwe onontdekte dimensie openbarend, geheimvol, je in een andere wereld trekkend. Of zoiets. Bij kunst heb ik dat, vooral bij muziek en toneel. Ik droomde ervan zoals ook van de poëzie (waarover straks). Ruud Huysmans liet onlangs in een krant noteren dat hij inmiddels meer in God was gaan geloven dan in Jezus: bij mij ging het andersom. Het geheim van God week, de historische persoon van Jezus, voorzover uit de (cultuur)geschiedenis achterhaalbaar, intrigeerde me meer en meer. Het als mythische figuur afdoen van hem legt het steeds meer af tegen het zoeken naar zijn historische omgeving en zijn ideologie. Liefst nog vóór Paulus en de evangelisten. Ik kom daar natuurlijk op terug. Voorlopig: hoe minder God, hoe meer Jezus. Maar inclusief zijn (op de proef gestelde) godsvertrouwen en neiging tot bidden.

9. (1956) Taalkunst
De poëzie. Ik heb mijn hele leven meer met gedichten gehad dan met romans. De laatste tijd lees ik wel meer proza, maar dat is eerder om de geschiedenis en de theologie dan om de psychologie. Boeken als ‘Baron’ van Theun de Vries en ‘Knielen op een bed van violen’ van Jan Siebelink -ik noem maar wat- heb ik wel verslonden. Dat zijn boeken waarbij je steeds hoopt dat je nog lang niet aan de laatste bladzijde toe bent. Maar wat mijn voorkeur voor de dichtkunst betreft: Ik weet nog precies hoe het zo gekomen is. De gedichten van Gezelle uit mijn kerkboek -net als de liederen in de kerk- kropen in mijn bloed: Gij bad op enen berg alleen… En mijn vader leerde ons dat je gedichten niet moest lezen, maar voordragen of zingen. Op Hageveld had je in de eerste klassen declamatieles. Uiteraard gedichten. Mijn pakkie an. Vanaf 1951 verschenen de eerste gedichten van de zogenaamde Experimentelen. De bundels Atonaal (1951), Nieuwe griffels, schone leien (1954) en Vijf 5-tigers (1955) heb ik op een eigenaardige wijze te pakken gekregen. Het duurde namelijk enige tijd voor deze vernieuwing van de Nederlandse dichtkunst (en proza!) tot Hageveld doordrong. Jonge leraren als Angevaare en Kuik, die er wél voorstanders van waren, waren er niet zo vroeg bij als sommige leerlingen. Tot dan toe werden er in de declamatielessen nog gedichten van de Tachtigers voorgedragen. Of van nog vroeger zoals van Vondel of Paaltjens. Ikzelf b.v. durfde wel bijna te snikken toen ik Gebed van Bilderdijk bracht. Lekker pathetisch, goed om onze gevoelsexpressie te oefenen en weggedrukte gevoelens te ventileren. Het tijdschrift Roeping (met Hanlo’s Oote Oote Oote Boe in 1952) werd door de leraren overigens wel gevolgd. ‘Onze’ Bertus Aafjes werd in 1953 ook op Hageveld opnieuw een omstreden figuur toe hij zich afzette tegen de experimentelen.
Mijzelf overkwam het volgende. Toen ik in 1953 aan ‘de grote kant’ kwam (klas 3) zat er twee klassen boven mij in de ‘Poësis’ (klas 5) een begaafde jongen uit Noordwijk, Leo de Ridder, die zich in de nieuwe poëziewereld al spoedig als een vis in het water voelde. Hijzelf had een dichterlijke aanleg en leefde -uiteraard op afstand- met Lodeizen. Ik weet niet meer zeker hoe het kwam -ik denk via het toneel: we speelden beiden in “Athalja”- maar ik voelde me zeer vereerd dat hij mij de genoemde experimentele bundels begon te lenen waar ik mijn hart aan kon ophalen. Dat was het begin van een ‘levenslange vriendschap’, maar ik zet beide woorden tussen aanhalingstekens omdat hij -God hebbe zijn ziel!- nog geen zestig jaar is geworden (hij stierf aan de ziekte van Parkinson) en homofiel was maar met mij nooit een erotische verhouding heeft gezocht. We hadden, ook toen hij het seminarie als niet geschikt voor het priesterschap had verlaten, regelmatig schriftelijk en persoonlijk contact en op sommige foto’s van mijn priesterwijdingsfeest kan ik hem terugvinden. Ik heb met hem veel van gedachten gewisseld over poëzie -hij schreef zelf échte poëzie- en op dit punt heb ik veel aan hem te danken. Zoals ook aan mijn leraar Nederlands, Gerrit van der Poel. Sinds de al genoemde declamatielessen zag hij in mij een knaap met wie hij wat kon bereiken. Ik was uitermate gevoelig voor zijn waardering omdat ik mij in de eerste jaren van mijn seminarieleven niet erg erkend voelde. Sporten lag me niet, modieuze kleding -ook bij jongens telde dat- kreeg ik niet, ik maakte niet de indruk van een stoere boerenzoon noch van een chique stadsjongen en was in die eerste jaren geen knetter (Hagevelds woord voor succesfiguur op studiegebied).
Maar ‘Gerrit’ -zo noemden wij hem- zag mijn talent voor taal en voor voordracht. Hij leerde mij dat taal allereerst gesproken taal is die voorgedragen moet worden als voertuig van denken én voelen. Lezen en schrijven komen op de tweede plaats en spellen op de derde. Dat met het cijfer voor ‘Taal’ op je lagere school-rapport eigenlijk je vaardigheid in spellen werd bedoeld, was hem (en mij!) een doorn in het oog.
Ook bij Grieks en Latijn brak ik, wat later, door maar met de leraren Duits, Engels -mijn latere bisschop, Zwartkruis- en Frans kon ik het niet zo goed vinden. Al kreeg ik van mijn leraar Frans, die later mijn collega zou worden, wel mijn eerste (vrijwillige) lessen Italiaans. Wiskunde en warempel ook geschiedenis (toen) lagen me niet. Een echte alpha.

10. (1954) Toneel
Van der Poel was ook leraar toneel. Hageveld kende een oude toneeltraditie. Al in het begin van zijn bestaan, dus vanaf 2 mei 1817 (gesloten van 1825-1829 omdat er volgens de antipapist Siegenbeek ‘de domheid werd georganiseerd’) werden er in het eerste gebouw, een villa te Velsen, o.l.v. regent C. A. van Bommel toneelstukken, vooral uit de Franse en Spaanse classicistische periode, bestudeerd en opgevoerd zoals dat al eeuwen op Jezuïetencolleges gebruikelijk was. In de Voorhoutse tijd, vooral toen Cornelis Broere en J. A. de Rijk er de literatuur propageerden, bloeiden het toneel en de decorbouw daar. Er was een vaste traditie die in 1923 meteen naar het derde Hageveld in Heemstede werd overgebracht: op Vastenavond een tragedie, voorbereid in de eerste maanden van het burgerlijk jaar, en tegen Kerstmis een komedie, althans een blijspel, voorbereid in de herfstmaanden. Daartussen ging alle aandacht naar de studie van de gewone vakken vanwege resp. de aanstaande overgangsexamens en het op gang komen in een nieuwe klas. Net als later Josée Ruiter die als eerste meisje op het Hagevelds toneel verscheen in de zestiger jaren van de vorige eeuw -ze studeerde toen op de Heemsteedse Pabo- mag ik mezelf in alle bescheidenheid (!) een bijzondere plaats toekennen in de geschiedenis van het Hagevelds toneel: tot 1954 werden de dramatis personae slechts uit de hoogste klassen gerecruteerd. Maar op initiatief van Van der Poel werd ik al als derde klasser uitgenodigd, of volgens de normen van toen: uitgekozen, voor een kleine maar niet onbenullige rol in Athalie van Racine dat in een o.l.v. de leraar Frans door enkele zesdeklassers zelfgemaakte vertaling als Athalja werd opgevoerd. Ook Jean Koreman uit de eerste klas kreeg een rolletje omdat er een kind nodig was. Ik voelde me zeer vereerd en erkend. De foto’s ervan gaan mee in mijn doodskist. Zo’n rol betekende namelijk dat je behoorde tot de algemeen bewonderde groep -troep mag je zeggen, zei Gerrit- van Hagevelds toneelspelers en tevens dat je ’s avonds de recreatietijd niet hoefde door te brengen in de saaie recreatiezaal maar in de door Van der Poel gedomineerde geheimzinnige en toch gezellige sfeer van de toneelaula. Boven het grote doek stond daar op het front geschilderd: Soli Deo Gloria (Aan God alleen de eer), want ook daar gold de nederigheidscultus en toneelspelen was verleiding tot hoogmoed. Uiteraard (!) mocht ik de volgende jaren ook meedoen: in 1955 speelden we Vondels Lucifer met Leo de Ridder en Jozef Baas in de hoofdrol, in 1956 Jeremias van Stefan Zweig met Dim Beljaars en in 1957 Shakespeare’s Macbeth met Gerard Koedijk. In 1952 en 1953 waren daar resp. L’Aiglon van Emile Rostand met Paul van Moorsel (als Metternich!) en Oidipus Rex van Sophocles met Guus Stevens aan voorafgegaan). Ik blijf Van der Poel eeuwig dankbaar: hij bracht mij de liefde voor en de kunst van het acteren bij -ik werd later zelf dramatische expressie-leraar en toneelregisseur op Hageveld- maar wat misschien voor mij nog belangrijker was: hij maakte mij als puber duidelijk dat ik ook in de ogen van sommige leraren wat waard was. Ik ben onlangs bij zijn graf geweest op het kerkhof van Zoeterwoude-Rijndijk: hij ligt er onopvallend tussen andere geestelijken, maar ik trilde van ontroering toen ik zijn naam las.

11. (1979) Leraar
De moraal van dit verhaal? Een leraar die wat in de klas die hij les geeft ziet en in de misschien wat aparte figuren ook, een leraar die niet alleen ‘zijn stof’ wil afkrijgen maar ook een gebeuren maakt van zijn lessen en van het verdere schoolleven, verdient ons aller applaus. Omne tulit punctum qui miscuit utile dulci (Horatius’ De arte poetica 343). Het nuttige verenigt zich dan met het aangename. Een leerling moet tot een kritische zelfwaardering komen in het onderwijs en dat is meer dan een goed cijfer halen voor een schoolvak. Ook op mijn latere school, het Dom Helder Camara-college in Haarlem-Schalkwijk, heb ik dit geprobeerd, indachtig de naamgever van de school. Vraag het maar aan Irene Moors.

12. (1952) Verkennerij
Er valt nog een ander Hagevelds gebeuren met het voorgaande te vergelijken: de verkennerij. Nergens was er zo’n behoefte aan een gelegenheid voor de scouting van Baden Powell als op kostscholen. Het wonderlijke is dat de discipline van de verkennerij daar juist een bevrijding was uit de uniforme gezagsverhoudingen binnenshuis. Want sommige dingen die binnen de muren niet mochten, waren juist opdrachten bij de verkennerij: hollen, klimmen, je verschuilen, elkaar achterna zitten, worstelen enz. Een uitlaatklep dus. Logisch dat deze ‘vrijbuiterij’ in de Hageveldse beginfase ervan kort na de Tweede Wereldoorlog door de gezagdragende autoriteiten met lede ogen werd bekeken en er verschillende conflicten zijn geweest. Ikzelf was geen superverkenner maar wel trots op mijn APL-functie in de troep (ook hier!) van hopman Van Reisen. Die was leraar Latijn, maar vond Hageveld maar een benauwd wereldje.
Hij bevorderde via de verkennerij dat wij ons op de vrije donderdagmiddagen konden uitleven in het bos van Groenendaal. We leerden wat, vooral kennis der natuur en praktische handigheidjes als het leggen van allerlei knopen in touw, maar ervoeren ook de groeikracht van planten en bomen en de geuren en kleuren van opkomend en wegrottend gebladerte en hout: voor mij was het een openbaring dat er naast het gebeuren in de natuur bij mijn vader op de bouw nog veel meer gaande was in de schepping: in bossen, duinen en aan zee. Water was me niet vreemd vanwege De Grote en de Kleine Vliet en Het IJsselmeer (op ons dorp De Zee genoemd). Maar de échte zee: de Noordzee achter de Zandvoortse duinen -al was het dan nog niet eens De Oceaan-: de verkennerij maakte je er gevoelig voor. Ook de lichamelijke spelgevechten waren een nieuwe ervaring. Ik herinner me nog hoe ik onder de indruk was van het geweldige mannenlichaam van Lou Balink, onze vaandrig, toen we ons samen liggend verborgen hielden voor ‘de vijand’ in het struikgewas. Zo’n lijf wilde ik ook krijgen: groot, sterk en geschikt voor sport en werk. Ook de avondlijke voordrachten bij het kampvuur op St. Jansdag en tijdens de ‘kampen’ in de vakantietijd herinner ik me. De Hageveldse overheid lijkt te hebben aangevoeld dat we ons via de verkennerij enigszins aan het permanente toezicht onttrokken maar dat daar ook goede kanten aan zaten. Boven onze hoofden schijnt zich een felle competentiestrijd te hebben afgespeeld: onttrekt een verkennershopman zich niet te veel aan het gezag van de (sub)regent? Maar het fijne weet ik er natuurlijk niet van: als ondergeschikte werd je er buiten gehouden. Er staat iets over in de annalen, daar heb ik later kennis van genomen. Maar ik onderdruk de behoefte daar nog eens achteraan te gaan.

13. (1957) De Klassieken
Nu ik gepensioneerd ben, heb ik tijd voor een terugkeer naar het lezen van de klassieke schrijvers. Ik ben me weer in de Ilias gaan verdiepen en op de Dante-club waar we al aardig gevorderd zijn in de Divina Commedia, gaan we misschien aan Horatius beginnen. Ik herinner me dat ik als misdienaar al wat Latijn opdeed via de antwoorden die toen van je verwacht werden in de oude Latijnse mis en ook de Vulgata en het Gregoriaans snoof ik op in het Lof en de Vespers, bij uitvaartdiensten en feestmissen. De liturgie op Hageveld was tot op grote hoogte in het Latijn. Het ritme en de versbouw van antifonen en hymnen ging voor het leven in je bloed zitten. Toch ging het systematisch instampen van de taal der Romeinen bij mij niet van een leien dakje: ik had een aardige eerste leraar Latijn, maar bij mij ging het leren van een taal veel vlotter als ik een stuk tekst voor me kreeg waar ik, als een hond die een worst krijgt, wel weg mee wist. Maar in het leren van rijtjes en paradigmata was ik niet goed. Ik had een goed geheugen, maar eigenlijk alleen voor dingen die indruk op me maakten. Toen ik in de tweede klas de eerste vertaalstukjes voor mijn kiezen kreeg -o.a. over een deftige dame die haar butler een in haar huis gevangen vlieg levend naar buiten liet brengen uit liefde voor de natuur, maar hem terugriep toen het bleek te regenen- voelde ik me groeien. En dus was Caesars De Bello Gallico in de derde klas spekje voor mijn bekje. Gallia omnis niet: Heel Gallië maar: Gallië als geheel. Livius in de vierde en Vergilius en Horatius in vijf en zes brachten mij eindelijk de status van ‘knetter’. Dat had ook te maken met mijn taalgevoel in het Nederlands. Van huis uit kreeg ik goed taalgevoel mee. Eén oma verzamelde spreekwoorden en gezegdes, de andere sprak prachtig Westfries. We werden thuis gecorrigeerd als er wat ontbrak aan onze gesproken taal en de achtergrond van uitdrukkingen was een welkom onderwerp van gesprek. Als er in een verhaal over een diefstal in het Latijn profectus est stond, vertaalden de meesten: hij is vertrokken. Ik durfde het aan om te vertalen: hij is er vandoor gegaan. De leraren -tenminste de echte classici- waardeerden zoiets zeer. Vooral de leraar Grieks die na een huisbezoek een vriend van mijn ouders was geworden, Henk van Duin, een uitmuntend docent die zich volledig investeerde in zijn vak -ook hem kreeg ik later als collega- wist me op die wijze sterk te motiveren en ook mijn eindexamendocent in het Latijn, de regent zelf, daagde me op dit punt ten zeerste uit. Over deze laatste het volgende.

14. (1955) De Rex
Regent Henning, door ons terecht de rex genoemd wegens zijn uitstraling van ijdelheid en autoriteit, was een symboolfiguur. Uitmuntend classicus had hij allerlei eigenaardigheden die hem tot een icoon maakten: zijn donkerbobbelende -ik heb er geen ander woord voor- stem, zijn filosofenkeppeltje, zijn lange nagels (“ïntellectuelen doen geen handenarbeid, vandaar dragen ze hun nagels uitgegroeid, een chinese traditie”), zijn graag in het openbaar met enige plechtigheid verschijnen, de paarse randen van zijn monseigneurstoog, zijn vaste recht om bovenop een bank vóór in de klas te zitten met opgetrokken knieën: dat alles en nog veel meer maakten hem tot een verschijnsel waar we nooit helemaal een vinger achter konden krijgen. Je maakte meer persoonlijk met hem kennis als je jarig was: dan werd je opgeroepen om voor een kort obligaat gesprekje op zijn kamer te verschijnen waar boven zijn hoge tafel een indrukwekkende lamp hing met een ingegraveerde spreuk ‘alles sal reg kom’. Ik vatte dat in mijn zenuwen op als ‘alles komt bij de regent terecht’. En als de rapportcijfers door de leraren bij hem waren ingeleverd -ze mochten dus niet vooraf in de betreffende les bekend worden gemaakt-, werd je te zijnent verwacht om berisping of bemoediging te ontvangen. Nootjes halen werd dat genoemd. Waardering was daarbij niet aan de orde, hoogstens als je zeer goed, zeer goed voor gedrag en ijver had behaald, wat mij nooit overkomen is. Gelukkig maar, want als je wel in die categorie viel en dat bekend werd, liep je de kans door de anderen een trimester lang besmuikt te worden uitgelachen als je je vertoonde: Daar gaat zeer goed, zeer goed! In de vierde klas werd ik een keer apart bij de rex geroepen. Hij deed zeer vriendelijk maar had iets met me te bespreken. Sommige leraren hadden gemeld dat ik me soms wat hautain gedroeg en kennelijk de deugd van nederigheid miste. Ik dacht meteen aan thuis: mijn vader zei ook altijd dat ik eenvoudig en onderdanig moest blijven, terwijl mijn moeder me juist stimuleerde niet over me te laten lopen. Ze had het op een bezoekdag zelfs voor me opgenomen toen de leraar Duits zijn beklag deed. Henning had in die dagen juist een boekje geschreven: Over de nederigheid. Ik kreeg het overhandigd met een paar vermanende maar ook vaderlijke woorden. Ik merkte dat hij zijn plicht meende te moeten doen maar intussen mij wel mocht. Ik herinner me dat ik in het boekje las dat het je niets moest schelen als je na een succesvol optreden onder de mensen applaus of complimenten kreeg. Daar moest je boven staan. Ik vind dit nu typerend voor de normen en waarden van toen en voor zijn stoïcijnse instelling. Terwijl toch de rex zelf naar ons aller gevoel op dit punt geen voorbeeld was. Dat vertrouwde hij me bij die gelegenheid ook toe: Ik heb er zelf ook wel eens moeite mee. Vanaf dat moment voelde ik me persona grata bij hem en toen ik hem in de twee hoogste klassen als leraar Latijn kreeg, voelde ik altijd een soort positieve verstandhouding met hem. Hij waardeerde mijn vertalingen en vroeg soms -als niemand de door hem gewenste vertaling opbracht- op de man af: Gerrarrd, wat denk jij ervan? Het zal wel niet nederig geweest zijn, maar ik glorieerde als ik hem dan bevredigde.

15. (1944) Het Broodverhaal
De hongerwinter van “44-“45 heb ik in flarden opgenomen in mijn geheugen. Ik was bijna zeven jaar en deed vreselijk mijn best om als oudste van de jongens pa en moe te behagen door gewilligheid en beschikbaarheid. Een kind voelt soms de zorgen van zijn ouders al op jonge leeftijd aan. Het moet in november 1944 geweest zijn: het was koud buiten en bij het doen van een boodschap voor je moeder werd er enige zelfoverwinning gevraagd. Ik moest naar de bakker, bakker De Haan: bakkerij De Korenschoof. Niet ver weg, een paar honderd meter over het onderpad. Vier broden, we waren met z’n negenen, de inwonende broer van mijn moeder meegerekend. Wittebrood, dat was toen heel gewoon: bruin brood kwam later. De bakkersvrouw had er dun vloeipapier omheen gedaan, maar de verse geur werd er niet door weerhouden. Ik klemde mijn buit stevig tegen mijn borst want er stond wind. Ik kon net boven de flinke broden uitkijken. Nog vóór ik thuis was zag ik boven op de dijk (waar de weg was) een zwaarbeladen bakfiets stoppen: er zaten en lagen wel vijf of zes mensen op, zo goed en zo kwaad als het ging schuilend in hun kleren. Eén ervan kwam op mij af, ging vóór me staan en vroeg of ze een van de broden konden krijgen. Ik zei: ‘nee, we hebben ze zelf nodig’ en rende naar huis. Met trots vertelde ik mijn moeder dat ik de vier broden gered had. Maar in plaats van een compliment zei ze: ‘Ga er maar een naar ze toe brengen: die mensen komen om van de honger!’ Ik wilde eerst protesteren, maar besefte toch ook dat ik een nieuwe taak had. Eén brood -in het papier gewikkeld- kreeg ik mee en in de verte zag ik bij het naar buiten gaan de bakfiets op de dijk. Ik rende erheen en riep al op afstand: ‘Jullie krijgen er een van mijn moeder!’. De bestuurder stopte en een broodmager meisje klom naar beneden en nam het brood in ontvangst. Maar ook een wat oudere man kwam van de wagen, liep op me af en drukte me een bankbiljet in de hand. Ik zei nog: ‘Dat hoeft niet!’ maar hij was al terug tussen de anderen en de bakfiets reed weg. Enigszins beteuterd maar toch ook blij met mijn ‘buit’ rende ik terug naar huis. Voor de ogen van mijn moeder deed ik mijn hand open en… daar lag een briefje van honderd! Er ging een schok door me heen maar mijn moeder zei meteen: ‘Terugbrengen, direct!’ Ik voelde dat ze het meende en ging haast automatisch weer naar buiten. Heel in de verte, in de bocht bij de kerk, zag ik de bakfiets. Ik rende als een bezetene en haalde hem in. Ik zwaaide met het bankbiljet en riep: ‘Ik mag het niet aannemen, neem het terug!’ Ik kwam naast de man die het me gegeven had, maar hij pakte het honderdje en… liet het wegwaaien in de wind. Meteen begon de bestuurder harder te trappen en al gauw verdwenen ze uit mijn gezicht. Ik bleef een tijdje verbouwereerd staan en zocht toen met mijn ogen naar het weggewaaide bankbiljet. Aan de kant van de weg, in het gras tegen een houten electriciteitspaal, zag ik het liggen. Ik liep erheen en raapte het op. Even had ik de neiging om niet meteen naar huis te gaan of het gebeurde te verzwijgen, maar ik wilde beslist kwijt dat ik iemand had gezien die een briefje van honderd weggooide, wat ik in mijn hele leven nooit zou doen! Zo kwam ik thuis: het honderdje voor me uitdragend. ‘Zag je ze niet?’ vroeg mijn moeder. ‘Jawel, maar, écht waar, ze wilden het niet aannemen, ze gooiden het weg! Had ik het niet moeten oprapen soms?’ ‘Geef maar hier’, zei ze en ze troonde me mee naar het missiebusje dat bij ons altijd tussen de gangdeur en de kamerdeur hing om ‘de arme negertjes’ te steunen. Daar deed ze het biljet in met de woorden: ‘Geld van arme mensen moet naar arme mensen.’ Ik vond het zonde maar voelde me ergens toch rijk.

Enkele maanden later werd de Wieringermeer onder water gezet. Geïnundeerd leerde meester Morsch later. Broodbedelende Amsterdammers kwamen daar vaak terecht als ze verder waren getrokken na ons dorp. Ook onderduikers zochten er hun veiligheid, vandaar het gemeenste wat de rotmoffen ooit hebben bedacht volgens mijn vader…Ik zie nog hoe de veeboeren met hun gezinnen en koeien -soms met hun hond- over onze dijk hun weg zochten naar een stuk wei bij ons in de buurt of verderop en volgens mij riepen ze soms -of is het verbeelding?- : Wie kan melken, mag komen om ons te helpen en mag de melk houden... Mijn oma van moederskant was boerendochter en had vroeger leren melken. Maar ze was toen niet bij ons in de buurt. Een gemiste kans dus. Zelfgemolken melk, wat wil je nog meer...

Ik heb gezien dat de Duitse soldaten na de capitulatie hun wapens op een hoop gooiden voor ze wegtrokken. Wij stonden als stoere jongens glunderend aan de kant van de weg toe ze langskwamen. Maar iets roepen durfden we niet...

Of het vóór of na de bevrijding was, kan ik niet meer achterhalen, maar er is een periode geweest dat de lagere school sinaasappelen uitdeelde aan de door de oorlog verzwakte kinderen. We waren volop aan het schuildoekesen of scheresen, toen er een toetergeluid klonk en iedereen zich ging verdringen voor de schoolingang. Daar gingen de dubbeldeuren open en verscheen meeste Bos, het hoofd der school, op de drempel om ons uit een goedgevulde prullenbak de appeltjes van China toe te werpen. Of het door mijn genotzucht kwam of door mijn watervlugheid weet ik niet, maar ik wist al gauw een prachtexemplaar te vangen. Ik voerde mijn buit onder mijn jack mee als een trofee en rende ermee naar huis. Achter de bijkeuken, op het stoepje, in de zon, heb ik de goddelijke schijfjes allemaal helemaal alleen opgepeuzeld. ‘Moest je niet delen?’ vroeg mijn moeder. ‘Hij is op!’ zei ik zonder enig schuldbewustzijn.
Veel opsterkte heb ik er niet van gekregen. Korte tijd erna moest ik -helemaal alleen!- zes weken naar Egmond aan Zee, naar het vakantiekoloniehuis “St. Joseph”. Daar zag ik een achtergelaten oude jeep toen we de zoveelste duinwandeling maakten. “Nog van de Amerikanen” verduidelijkte de zuster.

16. (1932-1938-1952) Tien kinderen
4 augustus 1932: huwelijk van mijn ouders in Ilpendam
juli 1933: eerste zusje doodgeboren, ongedoopt begraven in de kerketuin
28 september 1934: gezonde zus geboren
19 november 1936: gezonde zus geboren
12 april 1938: mijn geboortedag
18 october 1939: gezonde zus geboren
19 mei 1941: oudste gezonde broer geboren
17 october 1943: gezonde zus geboren
1 maart 1946: jongste gezonde zus geboren
11 mei 1948: gezonde broer geboren
7 november 1949: gezonde broer geboren
17 november 1952: jongste gezonde broer geboren
Zwangerschap -ze noemde het liever: in verwachting zijn- is geen ziekte, zei mijn moeder, die negenentachtig jaar is geworden. Maar ze was het later met haar dochters eens dat een kleiner gezin beter was.

Na elke bevalling ging mijn moeder de moederzegen halen bij de pastoor in de kerk. Ze noemde dat haar ‘kerkgang’. Purificatio (zuivering) werd dat onder geestelijken genoemd. Toen ik misdienaar en hulpkoster was heb ik meermalen mijn eigen moeder mogen ophalen -dat was een voorgeschreven ritueel- bij de kerk- of sacristie-ingang. Ze ging dan aan de hand van de pastoor wiens manipel (armdoek) of stola (ambtsteken) ze vasthield, het priesterkoor op waar toen anders vrouwen niet mochten komen. Ze deed dat met grote eerbied. En ik was trots. Later kreeg ik van andere vrouwen vaak te horen dat zoiets vrouwonwaardig was omdat er oorspronkelijk achter zat dat de aan een zwangerschap voorafgaande sexuele omgang de vrouw zou hebben verontreinigd en ze daarom moest biechten en met wijwater gereinigd. Vandaar de term purificatio. Nu ben ik de laatste om de kerk niet te beschuldigen van sexuele angsthazerij maar in dit geval vraag ik me toch af of hier niet de persoonlijke frustraties van roomsen en geestelijken de boventoon voerden. In de officiële boeken wordt alleen gesproken van ‘benedictio mulieris post partum’, moederzegen dus. Vrijwillig, volgens de vrome en lofwaardige gewoonte en uit dankbaarheid voor haar gezondheid, staat er in de voorafgaande inleiding (en verder niets). Biechten wordt helemaal niet vermeld en was ook niet verplicht, maar men was vroeger gewoon om, als men een tijdje niet in de kerk geweest was, voorafgaande aan de communie eerst dat sacrament te ontvangen. In de bijbehorende gebedstekst wordt alleen gesproken van het opengaan van ‘de poorten’ (psalm 23) waar de koning doorheen mag en van de vreugde die volgt op de baringspijn. De plechtigheid wordt besloten met de zegening met wijwater: water van leven, geen schoonmaakwater. Op het groot-seminarie werd ik door de liturgieprofessor uitgenodigd een moderne maar juiste vertaling te maken voor de officiële uitgave van de liturgietekst, omdat in die zestiger jaren men de oude formulieren ouderwets vond. Ik herinner me dat ik me toen al verbaasde dat er niets in stond wat irriteerde. In het Liturgisch Woordenboek wordt gewezen op het misverstand dat deze plechtigheid iets te maken zou hebben met de oud-testamentische purificatio van Maria waaraan het feest van Maria Lichtmis op 2 februari ontleend is. In de Joodse en Orthodoxe cultuur zit op dit punt wel een anti-sexuele component.

17. (1951-1957) Klein-Seminarie
sept. 1951 - juli 1952 klas 1 kleine figuur (figuur betekent letter)
sept. 1952 - juli 1953 klas 2 grote figuur (hoofdletter)
sept. 1953 - juli 1954 klas 3 grammatica (zinsontleding en woordbenoeming)
sept. 1954 - juli 1955 klas 4 syntaxis (zinstruktuuranalyse)
sept. 1955 - juli 1956 klas 5 poësis (dichtkunde)
sept. 1956 - juli 1957 klas 6 rhetorica (voordrachtsleer)

De grote vakantie eindigde in die tijd pas in de tweede week van september en begon halfweg juli. Zeven weken ruim hoefde ik niet te studeren maar werd ik ingezet bij het werk van mijn vader op het land of in de schuur (bollen rapen of pellen). Als half augustus de oogst achter de rug was, zat er nog wel een fietsreisje in, zelfs een paar keer naar het buitenland: naar België met de verkenners en naar Trier en Parijs met een paar klasgenoten/vrienden. Juist als de grote vakantie ten einde was, werd er op ons dorp kermis gevierd. Ik kreeg dan wat lekkers mee in mijn koffer om de pijn te verzachten. De namen achter de klassen hierboven waren officiëel, waarschijnlijk ontleend aan de introductie van het taalleren op de traditionele humanistische gymnasia. Ze betekenen achtereenvolgens: kleine letter (denigrerend gebruikt?), hoofdletter (ook zo?), taalontleding, zinsbouwanalyse, dichtkunst, welsprekendheidsleer, maar deze namen klopten niet (meer?) helemaal met de lesstof in het betreffende schooljaar. Het eindexamen (gymnasium alpha en/of bêta) werd in mijn eindjaar voor het eerst door onze eigen leraren afgenomen onder controle van gecommitteerden. De jaren daarvóór moest men naar het staatsexamen in Den Haag. Niet-eindexamenkandidaten en lagere klassen kregen hun overgaan (soms voorwaardelijk) of doubleren (altijd onvoorwaardelijk) te horen in de open lucht op de cour, waar ze als klasgroepen wachtten tot de regent langskwam. Alleen de zittenblijvers en de voorwaardelijken werden met stemverheffing genoemd en wisten vaak niet waar ze kruipen moesten. Soms zat er -meestal bij een voor de tweede keer doubleren- een consilium abeundi aan vast: het advies om te vertrekken. Voor altijd!

18. (1953) Ombouw?
Causa minor en maior. Het is prachtig zomerweer. We zijn in de recreatiezaal van klas 2 en de grote ramen staan open. We mogen op deze vrije donderdagmiddag kiezen: binnen of buiten. Binnen om te lezen, een brief te schrijven of te figuurzagen, buiten om te sporten of met de verkenners weg te zijn. Plotseling zie ik dat er een klasgenoot door het raam naar buiten springt en ik heb bijna de neiging het hem na te doen. Maar een ander trekt me aan mijn mouw en fluistert dringend: ‘Causa minor!’ Ik zeg: ‘Wat bedoel je?’ En hij: ‘Op naar buiten springen door het raam staat causa minor (geringe reden), dan hoef je na de vakantie niet meer terug te komen. Kijk maar in het reglement.”
Ik lees het later nog eens na: er worden allerlei soorten causa’s genoemd, o.a. het zich naar buiten begeven op oneigenlijke wijze. Soms, als ik niet kan slapen, vraag ik me nog wel eens af hoeveel goedwillende priesterkandidaten er om oneigenlijke redenen het seminarie moesten verlaten. Bij causa maior (ernstige reden) moest je op dezelfde dag als waarop het delict was gepleegd, wegwezen. Mijn klas is in 1951 begonnen met ongeveer 150 eerste klassers (verdeeld over vijf zgn. afdelingen of ‘klassen’ van 30 leerlingen); van hen heeft nog geen tien procent de toen bedoelde eindstreep gehaald. Tempera mutantur: the times, they are a-changin’. Soms komt tegenwoordig de gedachte bij me op dat er dus veel meer oud-seminaristen hun weg hebben moeten zoeken dan ik ooit vermoed heb. Ook dat zal een hele Ombouw geweest zijn. In het door mij en mijn klasgenoten uitgegeven boekje ‘OntRoomsing’ (2010) wordt daar een beetje aandacht aan besteed.

19. (1949) Leergierigheid
Hoofdrekenen. Ons Hoofd der school was uiteraard de meester van de hoogste klas. Erg gezien op het dorp was hij niet, want hij had zich door zijn vrouw laten overhalen om in de stad (Hoorn!) te gaan wonen terwijl er bij ons toch een prima hoofdonderwijzerswoning beschikbaar was. Hij was ook streng en strafte hardhandig, maar twee dingen hebben bij mij toch een positieve indruk van hem achtergelaten zodat ik later met overtuiging zijn uitvaart in de Hoornse koepelkerk -mijn eerste stappen daar?- heb bijgewoond. Kort na de oorlog werd er een algemeen vitaminetekort bij kinderen verondersteld. Dat werd gecompenseerd door het uitreiken van sinaasappels. Ik zie het nog voor me: op de speelplaats van de school dromden we samen voor de hoofdingang want elk moment kon het gebeuren. Daar gingen de dubbele deuren open en stond op de drempel de bovenmeester met in zijn armen een grijsgroene, vierkante prullenbak waarin de oranje vitaminebommen zaten. Hij gooide ze één voor één in de woelige menigte. Ik had er meestal snel een te pakken en trok me dan terug in de eenzaamheid om van het geschenk uit de hemel te genieten. Soms bewaarde ik een paar schijfjes voor mijn moeder thuis. Tegen vergoeding van een sletje of hartje natuurlijk. In de klas deed de meester veel aan hoofdrekenen met ons. Wie het eerst het juiste antwoord riep, voelde zijn (of haar) prestige groeien. Hoeveel is dertien keer drieënzeventig? Negenhonderdnegenenveertig, meester! Jij kunt wel naar Hageveld, zei hij een keer.
Goed onderwijs lijkt me zoiets. De hersenen kraakten. En nu nog red ik me als er zo gauw geen pen en papier of rekenmachientje in de buurt zijn. Ook geschiedenisverhalen en natuurkundige experimenten (met bijv. het magnetisme van een hangende breinaald die zich naar het noorden keert) boeiden me. Een kind leert graag, waarom een puber vaak niet?

20. (1948) Taalkunst
Gerrit de Rijmer. Ons dorp had toen nog geen eigen speeltuin. Als de school om vier uur(!) uitging, rende je eerst naar huis om je moeder te begroeten en een zuurtje te ontvangen -huiswerk gaf men toen nog niet, wel leerwerk (katechismus) dat voor of na de nachtrust werd gedaan- en dan kon je naar de speeltuin aan de Lagedijk (nu Simon Koopmanstraat) in Wervershoof, niet ver van de dorpsgrens. Daar was Pietje Boeder de baas, zo genoemd omdat hij klein van stuk was. Als je je niet aan de (ongeschreven) regels hield, gaf hij je met gemak een klap voor je kop. Hem ontweken we zo veel mogelijk, maar een andere daar verblijvende man zochten we graag op: Gerrit de Rijmer. Hij sprak Westfries en dat altijd op rijm. Zijn achternaam kenden we niet maar zijn bijnaam des te beter. Als wij een zinnetje bedachten bijv. Gerrit, wat heb je een smerige broek! kwam er meteen een rijmende reactie bijv. Maar in mijn zak zit een skône doek! Soms waren de rijmen langer en luisterden we met aandacht. Ik vermoed dat hij dan een oud vers voordroeg, maar ik heb er geen voorbeeld van onthouden. Later heb ik me vaak afgevraagd of ik toen voor het eerst met echte volkstaalcultuur in aanraking kwam. In het algemeen waren rijmen en versjes, liederen en gezegdes deel van ons leven. Mijn oma van moeders kant verzamelde spreekwoorden: in het algemene Nederlands en in het Westfries.
In de bovengenoemde speeltuin werd ik ook nogal eens lastiggevallen -zo ervoer ik dat toen- door een spichtig meisje dat ‘met me wilde’. Toen ik liet merken dat dat niet wederzijds was, zei ze verdrietig: Je moeste d’ ûrûs weten hoe lekker je met me speulen ken!

21. (1949) Roeping
Priester worden stond bij mij niet voorop. Ons dorp was te klein om een kapelaan te hebben en de pastoor was een priester zoals ik nooit zou kunnen en willen zijn. Zijn vroomheid ging mij te boven en zijn opvattingen hadden niet de goedkeuring van mijn moeder. Maar zijn theologische en culturele geleerdheid spraken me zeer aan. Ik mocht soms op de pastorie binnenkomen om de huishoudsters te helpen door boodschappen te halen en karweitjes te doen. Hij bracht me tussen de bedrijven door iets bij van de dogmatische discussies op de vroegere concilies waarbij de namen Athanasius en Nestorius vielen. En hij liet me soms horen hoe de liederen uit de Romantiek klonken. Die werden door hem of door de oudste huishoudster, die vroeger declamartice en spraaklerares was geweest, op de vleugel begeleid als zijn jongste huisgenote, afkomstig van een muzikale Onderdijkse familie, haar stem liet galmen. Het lied van Die zwei Grenadiere was zijn favoriet, dat zong hij zelf. Ik ging liever naar de pastoor dan naar mijn vader op de bouw en kreeg al gauw naast het misdienaarschap het vervangen van de koster toevertrouwd. Deze was namelijk zelf ook bouwer en alleen beschikbaar op zondag, bij rouw en trouw en in de Goede Week. ’s Morgens om half zeven -ook midden in de winter- terwijl de pastoor die de kerkdeur al had geopend, zich nog op zijn slaapkamer bevond, zorgde ik dat de juiste lichten aan gingen en alles klaarstond en klaarlag voor de mis. Om zeven uur was er communieuitreiken voor de moeders die geen tijd hadden voor een langere kerkdienst (daar hoorde mijn moeder ook bij) en om half acht knielde ik op een aparte kostersstoel om de mis te volgen en alles in de gaten te houden. Soms waren er op de zijaltaren parallelmissen door priesters die elders werkten en op vakantie kwamen in hun geboortedorp. Het clericale leven leek me wel wat: ze hoefden niet naar de bouw en waren toch niet arm, wat bleek uit de fooien die ze wel eens voor me achterlieten. Maar missionaris worden was niets voor mij, de twee godsdienstleraren die tussen die gastpriesters zaten, spraken me meer aan. Dat je -volgens de pastoor- roeping moest voelen, drong niet zo tot me door. Ik las wel met veel godsvrucht in het toenmalige jongenskerkboek dat “Met Christus” heette. Vooral de gedichten die daar in stonden -de meeste van Gezelle zoals ‘Gij bad op enen berg alleen…’- gingen in me zitten.

22. (1953) Rampjaar
Zondag 1 februari 1953: Watersnoodramp. Mijn moeder had vanuit haar geboorteplaats Ilpendam de watersnood van 1916 meegemaakt: je kon met een bootje door de Dorpsstraat varen. Mede daardoor had ze een overdreven angst voor natuurrampen, geheel in tegenstelling tot mijn vader die de natuur en vooral de oerkracht daarvan bewonderde. Wat dit betreft aard ik naar mijn vader. Toen we op die bewuste zondagmorgen -ik was tweedeklasser en nog aan Hagevelds kleine kant- na het ontbijt te horen kregen dat we beter niet naar buiten konden gaan wegens sterke storm, was dat voor mij en enkele anderen juist een uitdaging om het toch te wagen. Met moeite konden we de buitendeur voldoende geopend krijgen om er door heen te glippen en toen ik er door heen was, overkwam me een nooit meer vergeten ervaring: ik werd als door een orkaan opgenomen en in een razende vaart meegesleurd de cour op. Er was geen houden aan: ik kon geen grip op de grond krijgen en verzet hielp absoluut niet. Het moet in een paar minuten gebeurd zijn: zo ineens zag ik een van de volleyveldpalen aan de grote kant op me afkomen. Ik wist een botsing te voorkomen en zelfs met mijn arm mezelf vast te draaien om de paal. Harde wind is dan een belachelijk understatement voor de oerkracht van zo’n storm. Loslaten zou fataal geweest zijn. Ik moet een hele tijd gewacht hebben op een moment van luwte voor ik het waagde me over te geven en toen werd ik in een soort smak bezorgd tegen de buitenmuur van de grote kant. Vandaaruit kroop ik als krampachtig klimop terug naar waar ik was opgepakt: het was een heel karwei de deur weer open te krijgen. Eenmaal in de recreatiezaal vertelden mijn lotgenoten hun avontuur in geuren en kleuren, ikzelf was te verbouwereerd om een woord uit te brengen. Inmiddels was er een radio aangezet zodat we de gebeurtenissen in Zeeland konden volgen. Er zaten toen nogal wat Zeeuwen en jongens van de Zuidhollandse eilanden in onze klas. Er waren er die huilden. Ik dacht aan mijn moeder. Die zou ook wel huilen.
Dat jaar werd het treurspel Oidipus Rex (koning Oidipus) tweemaal opgevoerd: een keer voor de clerus van het bisdom Haarlem en een keer voor de bewoners van Heemstede. Er werden daarbij toegangskaarten en loten verkocht voor de slachtoffers van de watersnoodramp. Guus Stevens (Oidipus) was van toen af dé held op en buiten Hageveld, Henk Doove (Jokaste) dé grote toneelspeler. Ik droomde van hun gezelschap.

23. (1961) Pastoraal
Een van de theologen aan wie we wat hadden, was Piet Schoonenberg, Jezuiet. Hij schreef het vierdelige Het Geloof van ons Doopsel -korter en kloeker dan Schillebeeckx (die wij overigens zeer waardeerden) en in beter Nederlands- over onderwerpen waar we ook pastoraal mee te maken zouden krijgen. Genuanceerd en voorzichtig, maar progressief. Bijvoorbeeld over het huwelijk. Zonder de encycliek Casti Connubii (1930) die nog steeds als uitgangspunt werd gebruikt, te bruskeren legde hij uit dat het daarin opgenomen lijstje van huwelijksdoeleinden niet in volgorde van belangrijkheid was opgesteld maar moest worden gezien als een opsomming in betrekkelijk willekeurige volgorde. Dus het als tweede (secundarius, niet te vertalen als secundair) genoemde ‘het onderling bevorderen van elkaar’ was even belangrijk als het eerstgenoemde: de voortplanting. Op deze wijze probeerde hij het dogmatisch geponeerde van Rome te verzoenen met het eigentijdse van de beleving en de psychologie om zo het belang van ‘grote gezinnen’ te relativeren. Achteraf boter aan de galg gesmeerd -zoals haast steeds als de Romeinse curie zich uitgedaagd voelde- maar voor ons een legitimering van onze ‘nieuwe benadering’: het huwelijk heeft evenzeer met het geluk van de partners te maken als met de vruchtbaarheid. Dit heeft mij er in latere jaren toe gebracht te pleiten voor erkenning van het homohuwelijk ook in de kerk, omdat het woord huwelijk (houwelijk) etymologisch iets anders inhoudt dan het Latijnse matrimonium. Het eerste betekent oorspronkelijk: elkaar intiem benaderen en behoeden/behouden -dat kunnen homo’s heel goed, lijkt mij- en het tweede: tot moeder maken, wat mij in hun geval moeilijker lijkt. Hier speelt dus een fnuikend misverstand tussen twee taalkringen: de Germaanse en de Romaanse. ‘Bene docet qui bene distinguit’ is een gezegde van Thomas van Aquino: ‘Wie scherp onderscheidingen kan maken, is een goed docent’. Via Schoonenberg -zijn boeken prijken nog steeds in mijn boekenkast- heb ik aan dat advies later veel gehad, niet alleen in mijn pastorale werk maar ook in mijn godsdienstlessen en zelfs in mijn lessen Nederlands. Want ook op de VU (prof. Caron!) kende men deze wijsheid. De zaak onderverdelen in punten en die stuk voor stuk onder de loep nemen, is een uitstekende leermethode. En etymologie is daarbij ook nooit weg.

24. (1954) Mandement en Steur
In het jaar van ‘mijn bewustwording’ (1953-1954), toen ik mezelf steeds meer en duidelijker zag zitten ‘aan de grote kant’, speelden er twee gebeurtenissen die diepe indruk hebben gemaakt, niet zozeer op mijzelf als wel op mijn toenmalige leraren. In mei 1953 waren de r. k. bisschoppen o.l.v. kardinaal De Jong (na diens sterke optreden in de oorlogstijd) nogal dominant present geweest bij de honderdjarige herdenking van het herstel van de r. k. bisschoppelijke hiërarchie in Nederland. Dit leidde tot een hernieuwd zelfbewustzijn, vooral van de clerus. Onder anderen werd de latere deken van Alkmaar, de mij in zijn emeritaat dierbaar geworden Jan Kraakman, gevraagd mee te werken aan een nieuw Mandement voor de katholieken, dat na allerlei moeilijkheden in mei 1954 verscheen. Daarin werd de verzuiling, tegen het advies van Kraakman in, nieuw leven ingeblazen, maar op Hageveld (dat zichzelf trouwens ook graag als een mundus completus, een eigen wereld die niets of niemand van buiten nodig heeft, zag) waren er naast de volgzamen enkele leraren die zich daar niet mee konden verenigen. Wij als studenten merkten iets van de spanningen die dit opriep, vooral toen één van hen -hij leeft nog, tot voor kort onder de hoede van de benedictijnen van Egmond, maar nu woonachtig in Bodegraven- het waagde een aantal van ons uit te nodigen op zijn kamer om de tekst van Het Mandement met hem in een soort gespreksgroep te bespreken. Ik was daarbij en heb in mijn boekenkast nog het toen gebruikte exemplaar met mijn aantekeningen. We vonden het natuurlijk heel gewichtig bij deze kwestie betrokken te raken, al was de begeleidende leraar uitermate voorzichtig en niet geneigd zijn eigen mening openlijk te ventileren. Er speelden in die tijd allerlei voor ons spannende situaties: een Hageveldse priesterleraar klassieke talen trad uit het ambt, een begaafde zesdeklasser werd weggestuurd omdat hij een fles sterke drank in zijn bezit had, een muziekdocent staakte zijn lessen wegens ons wangedrag en de strenge subregent moest eraan te pas komen om ons stil te krijgen bij het gebed voor het eten in de refter. Maar het meest zenuwachtig en gespannen werd er door sommige leraren gereageerd toen in september 1954 Dr. Klaas Steur die hun geliefde professor op het Groot Seminarie was geweest, als hoogleraar werd ontslagen wegens gebrek aan orthodoxie. De algemene reactie was: hier geschiedt onrecht. Het was voor ons het begin van een periode van wantrouwen in kerkelijke overheden en zelfs van een zekere opstandigheid. We waren pubers en de zestiger jaren kondigden zich aan.

25. (1948) Vissen
Mijn overgrootvader van vaderskant was vertrouwd met de polder. De “oude Germaan” -zo werd hij genoemd- was wel geboren op een molen (een van de vierentwintig die De Vier Noorder Koggen drooghielden, later op één na vervangen door het stoomgemaal dat in mijn jeugd als ‘de watermachien’ bekend stond), maar een echte molenaar is hij niet geweest. Hij trouwde rond 1880 met een vissersdochter en leefde van wat hij wist boven te krijgen uit de Grote Vliet en de -toen nog- Zuiderzee. Onder andere: paling, snoek en ansjovis. Het vissen zit ons in het bloed: in elke volgende generatie zijn ‘die wat met vissen hebben’ in onze familie te vinden. Zelf doe ik er niet meer aan: te veel geestelijke geworden! Maar ik zou me onrustig voelen als ik niet -net als mijn schaatsen- ook nog wat hengeltuig in mijn schuurtje had.
Van mijn vader wordt verteld dat hij een keer met zijn kloet als harpoen een snoek heeft gespietst die hij in het water zag ‘staan’. Mijn oudste zus, die bekend staat als zeer betrouwbaar, beweert dat ze het gezien heeft. Dan moet je -in dit geval mijn vader!- wel tegelijk stil, scherp en snel kunnen zijn. Als jongen mocht ik eens mee met een zoon van ‘Vokkie’ (=Volkert) ‘Zutt’ (=Sijm) de polder in. Die ging met een stok en met koperdraad een staande snoek vangen in het polderslootje achter de school. Een snoek ‘staat’ als hij aast. Je moet behalve stil en snel ook nog zeer geduldig zijn: de snoek -in helder zonbeschenen water- mag niets zien of voelen bewegen. De (Het) koperdraad gaat haast onbewogen als een galg over de staart van het slachtoffer tot achter de kieuwen en dan moet je sneller ophalen dan de snoek kan wegschieten. Grote kunst. Je zelfbeheersing en je geduld op de proef gesteld. Ik heb me afgevraagd wat het ‘staan’ van een snoek nog meer kan betekenen. Genieten van de zon in het heldere water? Doodstil wachten tot er aas op roofafstand nadert? Gereed staan om te paaien? Of om kuit te schieten? Ik vroeg me ook af hoe zo’n flinke snoek in zo’n klein afgesloten polderslootje kwam. Gewoon daar gegroeid? Of door een ‘duiker’ binnengekomen?
In het vrijwe water van De Vliet en de bredere sloten daaromheen pasten we drie methodes toe om een snoek te vangen: met een lepeltje, met een fleur of met een (werp)hengel. Een lepeltje was een driehaak met een visvormig stukje blinkend blik. Dat was bevestigd aan een dunne maar sterke lijn die je vasthield vanaf de achtersteven van een motorschuit. Een roeiboot was te langzaam, een motorboot te snel. De haak, het lepeltje en eventueel het lood waren zwaar genoeg en de boot snel genoeg om het kunstaas op de juiste diepte -snoekdiepte- door het water te sleuren. Voelde je beet te hebben (alleen bij hengelen ging daar ‘tuk hebben’ aan vooraf), dan moest je afwisselend ‘vieren’ en ‘trekken’ om de snoek moe te maken en uiteindelijk over de rand van de schuit te wippen. Een hele kunst, want ik herinner me niet dat we toen een schepnet of zoiets gebruikten.
Een tweede manier om te snoeken was de fleur. Bij Van Dale omschreven als: ‘zetlijn aan de top van een hengel voorzien van een klosje met opgewonden lijn die afloopt als de vis het aas grijpt’. Het aas was een levend (kat)visje dat op een door Marianne Thieme niet goedgekeurde manier aan de driehaak was ‘bevestigd’. Je had heel wat snoer of touw of lijn of draad nodig, want als je de kloslijn hoorde aflopen, moest je de snoek nog alle ruimte geven en hem vierend en trekkend afmatten tot hij zich gewonnen gaf en je hem met de hengelstok uit het water op het land kon slingeren. Het losmaken van de haak was een een lastig en angstig karwei: de grote bek van de vis boezemde ontzag, maar ook stoerheid en behendigheid in.
De simpelste manier om een snoek te vangen was een gewone (werp)hengel met een op genoemde wijze bevestigd witvisje. Meestal ging de eventuele snoek er met de hele hengel vandoor als je die niet heel stevig vasthield of in de wal bevestigd had. Vaak ook wist hij de driehaak met visje en al te verorberen en vervolgens de lijn door te bijten of kapot te trekken. Dan bleef des vissers inspanning onbeloond. Maar ik heb er eens een buitgemaakt van negen pond!
Een poldersnoek smaakt heerlijk -gekookt, gestoomd of gebakken- maar mijn moeder was nooit zó enthousiast omdat de onwijze hoeveelheid graat de lekkernij tot een probleem maakte.

Paling vissen gebeurde op zowaar zes verschillende manieren: gewoon met de hengel met een wat langere haak -wij zeiden: hoeks- en een worm, vervolgens met losse ‘klossen’, d.w.z. met een serie grote kurken die elk een paar meter lijn met haak en worm een nacht lang verticaal in het water hielden, daarnaast: met een hoekwant, dat is een lang horizontaal snoer waar verticaal om de meter een serie draden met haak en worm aan bevestigd was, welk geheel met kurken of met stokken aan de oppervlakte werd gehouden, bovendien met een palingfuik, dat de ‘oogst’ door een grote welkomstboog binnenliet maar daarna via al kleiner wordende bogen in het ‘opvangcompartiment’ op de visser liet wachten -deze methode was eigenlijk voorbehouden aan beroepsvissers-, ook wel met een ‘kistje’, een latere uitvinding waarbij de palingen (aangelokt door de wormen binnenin) door een klein, niet terug te vinden gat onder water in een soort houten kistje werden gelokt en vastgehouden tot de visser ze op kwam halen en tenslotte door middel van het ‘peuren’ of ‘poeren’. Deze laatste methode vroeg veel meer behendigheid dan de andere, die alleen geduld eisten. Het ging hierbij om het in het water voorzichtig (‘zachtjes’ zegt Van Dale) op palinghoogte op en neer bewegen van een aan elkaar geregen bundeltje wormen aan een met lood verzwaard lijntje om zo gauw de hand van de visser boven water een zekere spanning voelde bliksemsnel boven een opvangbak te worden gehouden in de verwachtiog dat de wormhappende paling pas dan losliet en gevangen bleek.

We vingen nog wel meer soorten, maar die waren minder geschikt voor consumptie (ofschoon: in de oorlog…): kat- of witvis, voorn, blei, lapper (dit woord staat niet in Van Dale!), baars, zeelt, brasem enz. Er was ook karper te vangen, maar dat vroeg zoveel deskundigheid en stilte, geduld en onbewogenheid en bovendien gekookte aardappel, dat ik daar nooit aan toegekomen ben.
Kunt u begrijpen dat ik me later -nu nog- thuis ging voelen in de bijbel waar vissen en (agrarisch) bouwen centrale begrippen en beelden zijn?

 

Vijfentwintig jeugdherinneringen, met plezier in onze taal gezet. Zo werd ik 'omgebouwd' tot wat ik nu ben. Het is tijd om in dankbaarheid los te laten.

Dromen, fantasiën, natuurervaringen en andere onvergetelijkheden: ik wens ze u toe in uw eigen leven!


 
 
 
Inhoud
 
 

Klik hier om deze scriptie in  PDF formaat te openen met het programma Adobe Reader.

Klik eventueel op de knop hieronder om Adobe Reader gratis te downloaden:

 

     
Home |  © Gerard Weel |  ga naar boven