Probationes pennae rond ‘Hebban olla uogala...’

De omgevende pennenprobeersels bij de ‘oudste’ teruggevonden ‘Nederlandse’ zinnetjes

door Gerard Weel


Zelden heeft iemand in de Westeuropese moderne litteratuurgeschiedenis zonder het te beseffen in één oogopslag zoveel overhoop gehaald als de Engelse geleerde Kenneth Sisam in 1932 toen hij, in de Bodleian Library van Oxford, de oude handgeschreven foliant 340 (afmetingen 317 x 225 millimeter) met Angelsaksische preken (Aelfric’s Catholic Homilies), afkomstig uit het klooster St. Andrews bij Rochester in Kent, opensloeg op de laatste bladzijde -het woord ‘schutblad’ is onjuist- daarvan. Op de bovenste helft van die verso-pagina (f.169 v., dat is pag. 339) stonden krabbels uit het einde van de elfde of het begin van de twaalfde eeuw die zichzelf identificeerden als ‘probatio pennae (et incauxti) si bona sit’ (=probeersel van de pen (en de inkt), of die goed is). Slordig van handschrift natuurlijk, terwijl de tekst in het boek zelf keurig was gezet door monnikenhand.

Een monnick snijdt zijn pen bij

“It looks Flemish!” schijnt Sisam uitgeroepen te hebben toen zijn oog was gevallen op enkele regels die kennelijk geen Latijn waren zoals de rest. Later zag hij dat een lezer uit de achttiende eeuw rechts onder de krabbels het woord ‘dutsch’ had geschreven waardoor hij op het spoor had kunnen worden gezet. Sisam was persoonlijk meer geïnteresseerd in het boek zelf, maar heeft toch via prof. Swaen kennis van zijn vondst gegeven aan de neerlandicus Dr. M. Schönfeld die in 1933 in het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde (LII) de door hem in eerste instantie gereconstrueerde tekst van de ‘Nederlandse’ zinnetjes -ze bleken oudwestnederfrankisch te zijn- publiceerde. Uiteraard waren er belangstellende vakgenoten -Knuvelder vermeldt dat Maurice Gilliams ze ‘aasgieren’ noemde!- die er verder onderzoek aan besteedden: vóór de oorlog: van Ginneken (1936) en van Mierlo (1939), na de oorlog: Gijsseling en Koch (1950), De Smet (1954), Sizoo (1957) en vooral mijn eigen zeer ge(l)eerde leermeester Prof. Dr. W. J. H. Caron (1901-1988) vanaf 1954. Deze laatste heeft, mag men wel zeggen, de definitieve reconstructie gebracht:

Quid expectamus nu(nc)

Abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hi(c) enda thu Wat unbidan we nu.

in modern Nederlands weer te geven als:

Alle vogels hebben nesten begonnen behalve ik en jij. Wat wachten we nu?

Caron (zie de laatste versie van zijn onderzoek in TNTL 79 (1963) pag. 253-270) ziet de tekst als een taalspel: de penprobeerder probeerde de parallellie van het Latijn en het Nederlands in vorm en ritme (dus niet alleen etymologisch) uit. Het maakt hem niet veel uit of de krabbelaar vanuit het Vlaams naar het Latijn ging of vanuit het Latijn naar het Vlaams, terwijl van Mierlo -in navolging van van Ginneken- in hem een Vlaamse jongen ziet die een liefdesliedje uit zijn jeugd niet uit zijn hoofd kon zetten en het herformuleerde in het Latijn. Ook het zo wonderlijk geplaatste “Quid expectamus…” doet -volgens Gysseling- vermoeden dat het Nederlands er het eerst stond, maar dat er voor dit stukje van de parallelvertaling weinig ruimte werd gevonden en er dus maar naar rechtsboven werd uitgeweken. Volgens latere onderzoekers is het niet juist om van ‘oudste’ zinnetjes te spreken (er zijn al ‘Nederlandse’ doopformulezinnen uit de achtste eeuw) en ook het woord ‘Nederlandse’ is enigszins anachronistisch, maar om de schone vorm en inhoud van de twee regels hebben deze de eretitel ‘oudste Nederlandse zinnen’ gekregen en behouden. In 1998 was het handschrift te zien in Nederland: toen in dat jaar de Koninklijke Bibliotheek 200 jaar bestond, was het opgenomen in de bijzondere terntoonstelling van augustus tot oktober in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. In 2004 heeft de Utrechtse prof. Frits van Oostrom de originaliteit van de zinnetjes nogal aangetast door te ‘bewijzen’ dat ze, naar hun stijl gezien, teruggaan op de Arabisch-Moorse Spaans-Franse Chansons des Femmes en dus vanuit een vrouwelijke benadering zijn geschreven. Erg opzienbarend hoefde dit m.i. niet te zijn: niemand heeft ooit beweerd dat de krabbende monnik zelf de auteur was en dat mannen soms ook vrouwenversjes voor hun gevoelens of hun taalspelletjes gebruiken, lijkt me niets bijzonders. Het zou leuker zijn geweest als van Oostrom de bron had gevonden!

Mij gaat het in dit artikel om iets anders. Er is intussen immers haast overbodig veel aandacht geschonken aan het bovenstaande, ik althans heb niet de behoefte daaraan nog iets toe te voegen, het zou herhaling van zetten zijn. Maar op twee punten valt er nog wel iets te ontdekken: ten eerste: Hoe was precies de positie van de opschrijver van deze zinnetjes? en ten tweede: Wat schreef men nog meer op die laatste bladzijde van het boek, dus wat behelzen de andere (meest Latijnse) pennenprobeersels?

Op de eerste vraag is kortgeleden een redelijk bevredigend antwoord gegeven door de neerlandicus Erik Kwakkel in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde van maart 2005. Hij maakt duidelijk hoe de situatie was: een benedictijner monnik, vermoedelijk uit de abdij van Bec bij Rouen in Normandië, was met een groep van waarschijnlijk 22 Normandische confraters in het kielzog van Willem de Veroveraar die in 1066 Engeland veroverde, naar het St. Andrew-klooster gekomen in het jaar 1083 om het Britse monastieke leven te revitaliseren. De weinige nog aanwezige Engelse kloosterlingen werden verdreven. Zo staat het in de twaalfde-eeuwse historieboeken van St. Andrews.

Onder deze groep monniken waren er zeker die als opdracht hadden Latijnse handschriften te kopiëren, want dat was een bron van levensonderhoud. Het klooster stelde de nodige schrijfveren ter beschikking en wanneer deze getest moesten worden, gebruikte men bv. een lege bladzijde van een ‘verouderde’ Angelsaksische prekenbundel die voor de kopiist niet waardevol was en waar hij de taal niet van kende, als proefmateriaal. Er staan in het gebruikte boek meer pennenprobeersels van verschillende handen maar alle in de ‘stijl van Bec’. Kwakkel ontdekte elders in het boek vijf tot nu toe onbekende stukjes toegevoegde tekst in die stijl. Vier ervan zijn in het Latijn (dat beheersten zij wel!) en die stammen inderdaad uit het einde van de elfde eeuw. Eén aanvulling -op de eerste bladzijde- blijkt geen probeersel: zij is van later datum(vroeg dertiende eeuw) en bestaat uit één woord geschreven boven het Angelsaksische ‘cesare’ nl.: ‘keysere’, Middelnederlands voor ‘keizer’. Kennelijk om het vreemde (of misschien herkende) Angelsaksisch te verduidelijken door het Nederlandse equivalent. Dus moet toen een Nederlandstalige lezer de vreemde taal van het boek wél aangedurfd hebben en zelfs een volgende (Nederlandstalige) lezer hebben willen helpen. Bodleian-foliant 340 bevat dus niet één maar twee Nederlandstalige notities! De abdij van Bec lag in de elfde eeuw niet zo ver van het Vlaamse taalgebied als tegenwoordig (toen ongeveer honderd kilometer) en het is dus logisch dat er onder de Bec-Engelandvaarders ook Vlamingen waren. Wat wel wonderlijk blijft is dat de Franstalige kopiisten in dit boek geen sporen van hun taal hebben achtergelaten. Was voor hen het Latijn moedertaal genoeg? Of waren er alleen Vlaamse paters bij dit boek in de buurt? Of was kopiëren typisch iets voor (onderdanige) Vlamingen? Of was iets van je eigen taal inbrengen iets heel geks? Vragen te over.

De tweede vraag wil ik zelf beantwoorden. Voor zover mogelijk althans, want alleen al het feit dat sommige probationes rondom ‘Hebban olla…’ zo goed als weggesleten zijn en men ook met sterke belichting en vergroting niet verder komt, maakt een volledig bevredigend antwoord bij voorbaat uitgesloten. Gelukkig kan ik ook in dit geval een beroep doen op enkele ter zake kundigen: de geleerden Sisam, Sizoo en De Smet. En vooral op het Corpus van Gysseling. Het gaat mij niet zozeer om de betekenis van de inhoud van de ‘krabbels’ (Schönfeld en de Smet vinden ze alle “geestelijk” van aard en noemen ze zonder meer “citaten”), maar om wat er gestaan heeft. Want het doel van het geschrijf was niet ons iets boeiends mee te delen maar pennen uit te proberen. Uit de variatie in de handschriften (Gysseling spreekt van ‘A tot en met G’) blijkt al dat de monniken het boek -overigens wel zo goed als gelijktijdig- echt als kladblok hebben gebruikt. Zit er wijsheid of taalkunst in de krabbels, dan is dat mooi meegenomen.

Het lijkt mij het beste als u nu eerst goed naar de overzichtsfoto kijkt van de probationes zoals ik die hier laat volgen. Ik heb haar ontleend aan het artikel over de oud-Nederlandse letterkunde van prof. van Mierlo in de zgn. “Blauwe Baur”, die bij mij overigens bruin is en gedateerd 1939 ( tussen blz. 8 en 9). Eerst zal ik de linkerkolom doornemen, daarna de rechter.

Bovenaan staan een aantal hoofdletters die een deel (misschien het geheel) van het toen gebruikelijke alfabet vormen. Men kan ze lezen vanaf de F en de G en komt dan tot haast bij het einde, maar de laatste tekens zijn moeilijk herkenbaar. De U, V en W zijn samengevat in een V en aan het einde vermoeden sommigen een &.

Daaronder meen ik te lezen: ‘In principio deus’: het begin van Genesis (?) in het Latijn: In beginsel God. De e is onleesbaar. Ernaast staat: ‘pbatio penne incaustum.’ met achter penne een signaal dat waarschijnlijk ‘et’ vervangt. De eerste letter is een wel erg versierde p maar het aanhangsel ervan kan ook de vervanging zijn van de r en de o die zijn weggelaten. Incaustum staat niet in de tweede naamval zoals elders. De punt achter incaustum is wel heel erg dik. Men kan vertalen: probeersel van de pen(nenveer) en inkt.

Links daaronder staat een regel die begint met een S en waarin ik de woorden festa en sancti herken. Via infraroodbestraling heeft men ontdekt dat hier geen zin staat maar slechts de tekst: ‘Sancti Nicholai festa ualde sancti’(= feest van de zeer heilige Nicolaas). Men kan zich afvragen of het Sinterklaasfeest toen (en: daar) al gevierd werd. Sommigen -zoals J. M. de Smet- betwijfelen dat omdat zijn relieken pas in 1087 naar Bari werden overgebracht en zijn verering daarna pas goed op gang kwam. Maar de overbrenging naar Bari kan ook het gevolg zijn geweest van een al langer bestaande verering door zeevarenden en studerenden. De monniken van St. Andrews waren de zee overgestoken. In de rechterkolom staat een gebedje tot de heilige, waarover straks.

Dan volgt ‘pbatio …..uxti si bonu~ sit’. De ~ staat boven de u zodat men bonum moet lezen. Bedoeld is uiteraard: probeersel van de inkt of die goed is. Rechts ernaast staat met grote letters: pusuip, maar het kan ook zijn dat bij dit probeersel het boek omgedraaid lag en er staat: dmend of amend. Ik kies –met Gysseling- voor het laatste omdat een d normaliter geen bovenvlaggetje naar links heeft. Een betekenis kan ik aan deze letters niet geven, men kan tenslotte ook zomaar wat letters gebruiken om een pennenveer uit te proberen. Of moet men aan Amen denken met een d erachter, zoals Gysseling doet?

Linkseronder staat ‘allmmmm(i)e’ of iets dergelijks, men zou er ook u’s of i’s in kunnen zien, maar de bovenkanten lijken gesloten. Of er een i voor de e staat valt te betwijfelen. Een betekenis kan ik aan deze letters niet geven. Een l en een m zijn bij uitstek geschikt om een pennenveer uit te proberen.

Daaronder volgt ‘Anno milenosexageno quoq: sexto.’ Maar de e van mile is niet zichtbaar en er lijkt toch echt seno te staan en niet sexto. De Smet zag al dat hier een verwijzing staat naar het beroemde jaar van Willem de Veroveraars oversteek naar Engeland (1066). Men kan vertalen: ‘in het jaar duizendenzestig met erbij zes’. Een zin lijkt het me niet te zijn, wel het begin ervan. Men ziet boven de jaartalwoorden twee keer een serie muzieknoten (neumen) staan. Zouden de monniken bezig geweest zijn met een jubeljaarlied? De Smet hield de mogelijkheid open dat er misschien naar de in die jaren weer verschenen komeet van Halley werd verwezen, maar volgens mijn berekening was die verschijning in 1074 en dus hier niet aan de orde.

Eronder lijken enkele woorden te staan die beginnen met ‘ap’ en eindigen met iets van ’atio’. Gysseling ziet: ‘apud to(e) oratio’. Ik kan er verder niets zinnigs van maken.

Verder daaronder (na een stevige klodder inkt!) komt een op het eerste gezicht onleesbare regel die aan het einde botst op het ons zo dierbare ‘oudste Nederlands’, maar daar niet mee verbonden lijkt. Of toch (inhoudelijk) wel? De eerste twee woorden kan men lezen: Age ia~ (overigens zonder spatie ertussen). Dr. A. Sizoo heeft in 1956 ontdekt dat dit een citaat in anacreontische maat is van Prosper van Aquitanië, een Zuidfranse Augustinusaanhanger en epigrammendichter uit de vijfde eeuw die zijn huwelijk inruilde voor het monnikenleven. Het luidt: ‘Age iam precor mearum comes inremotam rerum’. Het is het begin van Prospers Carmina (no. 1) en men kan vertalen: ‘Draag, verzoek ik, als metgezel alvast zorg voor het in uw buurt zijnde deel van mijn zaken’. Prosper noemt zijn gedichten ‘Poemata ad uxorem’ (=gedichten voor mijn echtgenote), ze zijn kennelijk uit de tijd dat hij nog getrouwd was. Deze gegevens kunnen ons doen vermoeden dat (een van) de probationeszetter(s) geestelijk bezig was met het verwerken van een liefdesrelatie zoals uit de ‘oudste Nederlandse’ zinnetjes die ernaast staan, blijkt. Prosper heeft in zijn commentaar op de Psalmen interessante glossen bij bijbelteksten over het bouwen van nesten door vogels (zoals Ps.184,13 en 104,17, Jes.34,15, Mt. 8,20) als beeld van het vinden van een eigen (geestelijk) thuis. Zou van Mierlo toch niet te ver gegaan zijn in zijn romantische vermoeden van een liefdesdrama en het zoeken van een nieuw huiselijk nest?

Weer een stuk verder daaronder volgt nogmaals een zich bekennend pennenprobeersel: ‘batio penne’sibona sit’.

En helemaal onderaan staat iets verrassends: een naschrijfsel van het begin van de vertaling van het ‘oudste Nederlandse zinnetje’! Gysseling reconstrueert: ‘Abent om(nes) uolucres’. Zou er nog meer gestaan hebben?

De rechtse ‘kolom’ levert nog meer op.

Bovenaan twee duidelijke ‘probaties’: ‘probatio penne sibona sit’ met daaronder ‘probatio in cauxti sibonu~ sit’. De ~ staat boven de u en duidt de n aan. De vertaling ligt voor de hand.

Ernaast staan m.i. twee woorden waarvan het eerste ‘sit’ is. Het tweede lijkt met ‘omni’ of ‘omnib’ te beginnen. Er staat een soort vraagteken achter. Ik kom er niet uit. ‘Sit’ betekent: ‘Het zij’, ‘omnib(us)’: ‘aan allen’.

Dan volgt er iets waar we wél verder mee komen. Een Sinterklaasgebedje! Eraan voorafgaand (links) staat een soort tekeningetje. Of twee letters (A en y) boven elkaar. Men interpreteert dit paleografisch wel als ‘Antiphona’. De tekst is goed reconstrueerbaar: ‘O beate pater nicolae pium d(omi)n(u)m ih(esu)m pro inpietatibus n(ost)ris deposce;’. De vertaling luidt: ‘O gelukzalige vader Nicolaas, bid voor onze overtredingen vergeving af bij de goede here Jezus.’

Daaronder volgt van waarschijnlijk dezelfde hand de misschien wel mooiste regel van het geheel: ‘Scribere qui cupiunt sensum d(eu)s augeat illi(s)’ (= ‘Moge God wie verlangen te schrijven rijkelijk inspiratie toedelen!’) Het is een technisch volmaakte hexameter. Auteur onbekend. Jammergenoeg ik niet!

Op korte afstand daaronder (er is dus een regel opengelaten ter onderscheiding) volgt een gedicht van acht regels: de eerste zes tamelijk lang, de twee laatste korter. De laatste heeft maar twee woorden: (waarschijnlijk) ‘Huncqu(e) suppremo’ waarbij van dit laatste woord de eerste p geëradeerd lijkt. Na dit laatste woord volgt het woord ‘alleluia’ (met spaties tussen de letters) en een aantal schuine streepjes ( ///////- ) voordat het ‘quid expectamus nu(nc)’ verschijnt. Caron neemt van Sizoo over dat dit gedicht een uitbundige (vanwege het alleluia) strofe is van een didactische hymne over het spannen van de snaren van een lier en het correcte tokkelen daarop. Het is volgens hem gedicht in leoninische hexameters, maar die zijn technisch niet helemaal gelukt. Magister Leoninus was een musicus van de Parijse capella Notre Dame in de tweede helft van de twaalfde eeuw die Gregoriaanse melodieën meerstemmig verwerkte. Het woord leoninisch lijkt me hier dus wat anachronistisch gebruikt, maar misschien komt hij uit een school die later zijn naam kreeg maar al eerder aan dit soort versvormen deed. Gysseling kwam tot de volgende (vermoedelijke) tekst:

Cordaru(m) modulos pangamus nobile melos .
Singula dulcisonu(m) quos(..) discrimina vocu(m) .
Callemus resono leviter dinoscere plectro .
Et sic dissimiles melius formare tenora .
Accentusq(ue) gravis nefr(.) moderando suavis .
Aptemus (c)eteras fides feriendo canora
Nunc leviore modo clangentes
Huncqu(e)) su(p)premo. Alleluia.

Waar dit vandaan komt, is onbekend. Tot nu toe heeft nog niemand zich aan een vertaling gewaagd. Wisten we eerst maar eens de precieze Latijnse woorden. De meeste zijn tot nu toe gissingen. Het is wel duidelijk dat het eerste woord iets van de snaren en het laatste woord van de derde regel iets van het plectrum aanduidt, maar als ik het zou wagen -afgaande op deze corrupte tekst- een vertaling te proberen, weet ik zeker dat ik geheel terecht van duimzuigerij zou kunnen worden beschuldigd. Dus maar niet. Wel wil ik, afgaande op de indruk die de tekst maakt bij aandachtige lezing, een omschrijving geven van de vermoedelijke inhoud. Ik kom dan tot het volgende: ‘Laten we het edele klinken van de snaren doen horen door goed op de maat te letten. Elk ervan moet ge onderscheiden zoals ge dat doet bij welluidende stemmen. Laten we ons niet ergeren de lichte bijklank van het plectrum te vernemen en de onderscheiden klanken nog beter weergeven dan de hoofdtoon. Een zwaar accent moet fijntjes klinken door matiging. De overige instrumenten moeten zo worden ingezet dat ze als mooie stemmen klinken.

Nu eens mogen ze doorkomen op lichtere wijze, dan weer op indringende. Alleluia.’ Nogmaals: zoiets zou er kunnen zijn bedoeld maar ik weet niet of het er staat! En excuses voor de vergissingen!

Door goede belichting is de mooi binnenrijmende regel onder het ‘Nederlands’ aan het licht gekomen: ‘Rector celi nos exaudi ut dignare nos salvare’ (=Bestuurder van de hemel, verhoor ons, dat gij u gewaardigt ons te verlossen.). Daaronder staat nog een halve regel (misschien aansluitend bij de voorgaande) maar ik kan niet meer herkennen dan misschien ‘aur’.

Onderaan in het beschreven gedeelte staan nog twee regels: de eerste heel lang: zeker meer dan tien woorden beginnend met ‘Amen’, de tweede ongeveer de helft daarvan. Men heeft tot nu toe geen idee van de inhoud, de enige woorden die men meent te kunnen lezen zijn ‘caratectu(m) preco’.

Tenslotte: helemaal rechts onderaan valt een schijnbare signatuur te ontwaren. Maar zoals ik in het begin van dit artikel al schreef, Sisam heeft bij een latere inspectie gezien dat hier het woord ‘dutsch’ was geschreven door iemand uit de achttiende eeuw (of eerder). Deze persoon moet dus al gezien hebben dat er op deze bladzijde iets in het Nederlands stond. De Engelse wetenschapper Gumbert beweerde later dat het hier om iemand van veel oudere tijd dan de achttiende eeuw gaat.

Nawoord:
Sommigen hebben er kritiek op gehad dat aan het ‘eerste Nederlandse zinnetje’ zo ‘veel trammelant’ is besteed. Niet alleen omdat het niet over het echte eerste Nederlands ging en ook niet omdat het woord ‘Nederlands’ niet zou kloppen. Ook niet omdat er eigenlijk twéé zinnetjes staan, maar omdat er zoveel gezocht werd achter een paar eenvoudige krabbels. Dat ik door deze scriptie heb meegedaan aan het zogenaamde geneuzel, verdedig ik door te wijzen op de culturele impact van wat op het het eerste gezicht een toevallig vondstje lijkt. Ik hoop dat de lezer van mijn bijdrage het met mij eens is dat er veel boeiends resoneert in de probationes pennae waar ‘Hebban olla vogala’ er één van is.

Hebben olla uogala nestas bigunnan hinase hi(c) (e)nda thu

Literatuur:
Caron, W.H.J. Het taalspel van de probatio pennae, in: TNTL 79 (1963), pag. 253-270. Met foto’s. Ook op internet (onder: het taalspel).
Idem Quid expectamus, in: Taal en Tongval 6 (1954) pag. 62-67
Idem Oudnederlands, in: Studentenalmanak van de Studenten- corpora der Vrije Universiteit te Amsterdam, 1956, pag. 333- 338
Idem De oudnederlandse pennekrabbels van Oxford, in: Hande- lingen van het 25ste Nederlandse Filologencongres, Groningen 1959 pag. 28-30
Schönfeld, M. Een oud-Nederlandsche zin uit de elfde eeuw. In: TNTL 52 (1933), pag. 1-8 (met foto). Ook op internet (onder: een oudnederlandse zin).
Idem ‘Hebban olla vogala….’ In: TNTL 76 (1958-1959) pag.1-9 van Oostrom, F. P. Omstreeks 1100. Twee monniken voeren in het oudnederlands de pen over de liefde. In: M. A. Schenkeveld- Van der Dussen (red.) Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, 1993 pag.1-6
Gysseling M. en Pijnenburg W. Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en het jaar 1300), reeks II, deel 1, pag. 126-130, ’s-Gravenhage  1980 (1977-1987) no. 15
Idem met A. C. F. Koch Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta, 2 delen, Brussel 1950, deel 1, annex 2, pag. 397-398
Idem De aanvang van de middelnederlandse geschreven literatuur in: VMA (1968) pag. 132-144
Kettenis G. en Meijer J. Veel trammelant om een klein zinnetje, in: De letter doet de geest leven (1980) pag. 9-25, met bibliografie
A. Husmann Die drei- und vierstimmige Notre Dame-Organa (1940) van Bree C. Leerboek voor de historische grammatica van het Nederlands Groningen 1977 pag. 100-110
van Loey A. Middelnederlands Leerboek, Antwerpen 1947 pag. 3 no.1
idem Inleiding tot de historische klankleer van het Nederlands Zutphen (1967) pag. 22
Sisam, Kenneth ‘Mss. Bodley 340 and 342: Aelfric’s catholics Homilies’ in: The Review of English Studies 7 (1931) pag. 7-22; 8 (1932) pag. 51-68; 9 (1933) pag. 1-12 
Kwakkel, Erik Hebban olla vogala in historisch perspectief, in: TNTL 121,1 maart 2005, pag.1-24
Sizoo, A. Het ‘age iam’ op de probatio pennae, in: Leuvense Bijdragen 46 (1956-1957) pag. 121-125
de Smet, J. M. Het oudste zinnetje in onze moedertaal, in: Leuvense Bijdragen 44 (1954-1955) pag. 98-113
Idem Bespreking van Gysselings Diplomata Belgica (etc.) in: Revue d’histoire ecclésiastique 49 (1954) pag. 917-922
Frings, Th. Ein altniederländischer Satz des 11. Jahrhunderts, in: Beitrage zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 58 (1934) pag. 280-282 
Cramer-Peeters, E. ‘Hebban olla vogala: de betekenis’ in: Wetenschappelijke Tijdingen 35 (1976) pag. 161-164
van Ginneken, Jac. ‘Het oudste gedichtje in de Nederlandse taal’ in: Onze Taaltuin 5 (1936-1937) pag. 54-57
Krogmann, W. ‘Altenglisches in einem altniederfränkischen Satz? In: Jahr- buch des Vereins für niederdeutsches Sprachforschung (Niederdeutsches Jahrbuch) 69-70 (1943-1947) pag.138-140
Lindemans, J. ‘Onomastiek in dienst van de literatuurgeschiedenis’ in: VMA 1941, pag. 507-521
Lodewick, H. J. M. F., de Moor, W. A. M. en Nieuwenhuizen, K. Ik probeer mijn pen , Atlas van de Nederlandse letterkunde, Amsterdam, 1979 (kleurenfoto op pag. 8 en stofomslag; zwartwitvergroting op schutblad)
Madan, F. en Craster, H. H. E. ‘A Summary Cataloque of Western Manu- scripts in the Bodleian Library’ vol. II part I, Oxford 1922 nr. 2404 pag. 352
van Mierlo, J. De Letterkunde van de Middeleeuwen tot omstreeks 1300 eerste druk, Den Bosch (etc.,1939) en tweede druk, Den Bosch (etc., 1949) GNL deel 1 (beide met foto)
Idem ‘Bij een oud penneprobeersel’ in: VMA (1955) pag. 545- 559 (met foto)
Tavernier-Vereecken, C. ‘Nog over hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hi(c) anda thu’. In: Bulletin de la Commission Royale de Toponymie et de la Dialectologie (Handelingen van enz.) 22 (1948) pag. 75-91
Colmjon, Gerben (bez.) ‘That thusendigste Jâr’ Den Haag (1957) pag. 9-16 Wanley, H. Antiquae Literaturae Septentrionalis, Liber alter. Oxford 1705, pag. 9

 
 
 

Klik hier om deze scriptie in  PDF formaat te openen met het programma Adobe Reader.

Klik eventueel op de knop hieronder om Adobe Reader gratis te downloaden:

 

     
Home |  © Gerard Weel |  ga naar boven