De Sequensen

Reeds in de oude (gregoriaanse) misgezangen van de vroege middeleeuwen werd in het vervolg van het Graduale -dat is de tussenzang tussen de lezingen- nog een tweede tussenzang opgenomen: een zgn. alleluia-vers of een “tractus”. De laatste was zonder de alleluia-kreet en dus meer geschikt voor voor b.v. de vastentijd, maar de eerste had meestal een uitgewerkt alleluia, waarvan de laatste a langdurig werd aangehouden en zelfs uitvoerig gevarieerd in een eigen melodie, de jubilus genaamd. Het woord allelu-ia komt uit de oud-Joodse liturgie (Hallelu=Laten wij loven; Ja=God) en is een lofprijzingskreet of een uiting van vreugde en dank. Het was vaak een reactie op een psalmtekst. Het woord zelf komt ook in het Nieuwe Testament voor: Openbaringen 19,1-6. Men zegt dat het als eerste van de kinderliedjes door vrome ouders aan kleuters werd geleerd. Het werd ook gebruikt als wekroep bij het opstaan van de monniken op de kloosterslaapzalen, als volksdeuntje op de dorpspleinen, als krijgslied in de kazernes (en bij aanvallen op de vijand!) en als verrijzeniskreet (ook bij begrafenissen). De langere melodie (ook melisma, neuma, vocalisme of jubilatio genoemd) was moeilijk te onthouden zonder tekst en daarom ging men op de notenreeksjes woorden plaatsen, soms erboven soms eronder gezet, die zich tot teksten ontwikkelden, prosen genaamd. Meestal op elke noot een lettergreep van een woord, dus syllabisch. Dit verschijnsel noemde men ‘versus ad sequentias’ en daar komt dus de naam sequens of sequentia vandaan, die “vervolgstuk” betekent. Een zekere Amalarius van Metz uit het begin van de negende eeuw komt de eer toe die naam voor het eerst te hebben gebruikt. Spoedig ging men deze verlengstukken indelen en via herhaling van stukjes melodie bewerken tot strofen van een gedicht. Het waren vaak dubbelstrofen met een bepaald rijmschema waarin eerst nog de slot-a van alleluia te herkennen was. Het werden steeds meer een soort hymnen. Het rijmschema was vaak aab-ccb, maar vooraf en als slot bewaarde men dikwijls een eigensoortig regelpaar.

Er ontstond in de loop der eeuwen een hausse in het sequensenmaken: er zijn er waarschijnlijk vijfduizend gemaakt (alleen al ongeveer driehonderd rond Utrecht) waarvan er 4500 werden uitgegeven. Ze werden gerangschikt volgens het liturgisch jaar, dus te beginnen bij de Advent of bij Kerstmis en ze betroffen de algemene liturgie, de heiligenfeesten en de meer regionale vierdagen. Ze werden niet in het officiële gedeelte van de liturgische boeken opgenomen, maar in een soort aanhangsel, waaruit blijkt dat men ze toch enigszins secundair vond. Van Dale geeft twee betekenissen van het woord sequens: a. herhaling van een reeks noten op een andere hoogte ofwel een voortzetting van een motief in een zich herhalende vorm, en b: kerkelijk gezang met syllabische tekst en melodie. Een verzameling van sequenties heette een sequentiale of prosarium en ook wel: een sequentiarium of troparium. In een graduale stond vaak de muziek erbij, in een missaal alleen de tekst. In de oudste handschriften staat de melodie soms in de marge (melismatisch genoteerd) en soms de tekst syllabisch boven de melodie of andersom, maar er zijn ook handschriften met notenbalken waar alleen de melodie syllabisch genoteerd staat. En er zijn er ook waar alleen de tekst in handschrift staat maar de melodie er gedrukt bij. In de vorige eeuw zijn er veel uitgaven van sequensen verzorgd na grondig onderzoek: in Graz en Wenen in 1913, in Macon in 1952, in Rouen in 1961 en in Amsterdam in 1965. Deze laatste editie heet het Utrechts Prosarium en bevat 77 sequensen.

Men neemt aan dat de oorsprong van de sequenscultuur ligt in “het Oosten” en dat zij via Augustinus en Cassiodorus het eerst in het westen opbloeide in het klooster van Sankt Gallen in Zwitserland, waar in de negende eeuw een monnik die Notker Balbulus (=de Stamelaar) heette en die leefde van 840 of 851 tot 912 geïnspireerd door een zekere Iso uit het klooster van Jumièges de eerste syllabische teksten maakte op korte melodiën die waarschijnlijk al in omloop waren. Hij wilde meer zelfstandige liederen scheppen die loskwamen van het alleluia-woord. Hij heeft er ongeveer veertig nagelaten, maar men weet niet of ze alle van hem zelf waren en ook niet of hij én de tekst én de melodie heeft geschapen. Het “Media Vita” wordt aan hem toegeschreven. Het werd later door Luther verwerkt in zijn “Mitten wir im Leben sint mit dem Tod umfassen”. In 820 was er in de kerken al een paastroop in zwang die ten grondslag ligt aan het Victimae Paschali Laudes, de sequens die op naam staat van een navolger van Notker, Wipo, de hofkapelaan van Koenraad II en Hendrik III in het begin van de elfde eeuw. In een latere fase verplaatste het maken van sequensen zich naar Noord-West Frankrijk met als hoogtepunt het werk van Adam van St. Victor in Parijs, die er vijfenveertig maakte, de tekst én de muziek. Hij leefde, geboren in Bretagne, van het begin van de twaalfde eeuw tot 1177 of 1192 en verplichtte zich tot een minder vrije vorm die toch geen afbreuk doet aan de rijkdom van de inhoud. Ook hij had dus een voorganger in genoemde Wipo die rond 1050 sequensen, in elk geval sequensenmelodiën, heeft gemaakt. In de loop van de Middeleeuwen namen de sequensen steeds meer de hymne-vorm aan en hun aantal werd zo overvloedig dat het Concilie van Trente in 1550 besloot er slechts vijf van officiëel in de liturgie op te nemen: die van Pasen “Victimae Paschali Laudes”, die van Pinksteren “Veni Sancte Spititus”, die van Sacramentsdag (op tekst van Thomas van Aquino) “Lauda Sion Salvatorem”, die van Maria’s Smartendag “Stabat Mater Dolorosa” en die van Allerzielen “Dies Irae, Dies Illa”. Ze werden in het Missale Romanum van 1570 afgedrukt. De kloosterorden mochten in eigen kring wel de binnen hun traditie gemaakte sequensen in de liturgie blijven zingen. Het oudste Sequentiarium stamt uit Frankrijk (933), daarna komt dat uit Duitsland (955), vervolgens de Engelse uitgave van het einde van de tiende eeuw, de Italiaanse van de elfde eeuw en de Spaanse van het begin van de twaalfde eeuw. Uit de loop der eeuwen zijn ons naast de genoemde nog de volgende auteursnamen overgeleverd: Waldram van Sankt Gallen (negende eeuw), Ekkehart van Sankt Gallen (gest. 973), Fulbert van Chartres (gest. 1028), Berno van Reichenau (gest. 1048), Hermannus Contractus (gest. 1054), Gottschalk van Limburg (gest. 1098), Hildegard van Bingen (gest. 1189), Stephan Langton (gest. 1228), Thomas van Celano (gest. na 1250), Thomas van Aquino (gest. 1274) en Jacopone da Todi (gest. 1306).

Voor wie zich verder in de sequensenwetenschap wil verdiepen volgen hier enkele namen van geleerden die zich ermee beziggehouden hebben: Bannister, Burtsch, Wagner, Werner, Prévost, Mercati, Guittard, Gihr, Julian, Dreves, Daniëls, Jungmann, Drinkweiler, Hesbert, de Goede, Moberg, van den Steinen, Rajeczky, Chailley, Stáblein. Maar de meest verdienstelijke is Cl. Blume S. J.. In de volgende hoofdstukken zal ik de vijf door Trente gehandhaafde sequensen apart onder de loep nemen en de tekst ervan met een eigen nieuwe, op de muziek passende vertaling presenteren. Want deze cultuurschat mag niet verloren gaan!

 
 
   
Klik hier als u links geen menubalk ziet » Home |  © Gerard Weel |