Het Beeld(je)

Terug naar Wervershoof ! Toen de nieuwe burgemeester, Aad J. Vlaar, in december 1969 hoorde, hoe het onderzoek naar Tonis Harmansz. onder zijn voorganger was vastgelopen en dat intussen mgr. Kraakman, die in juni 1967 in Wervershoof was komen wonen, bezig was de zaak vlot te trekken, herinnerde hij zich, dat er tijdens zijn wethouderschap in Blokker (met speciale aandacht voor cultuur) op advies van de directeur Technische Dienst aldaar contact was gezocht met de inmiddels Amsterdamse beeldhouwer Jan van Druten (1916-1993). Deze was eerst caféhouder geweest in Nijmegen, maar na een opleiding kunstschilder geworden: hij maakte zeker meer dan honderd schilderijen. Op advies van de Poolse kunstverzamelaar Jaeller, die liever een beeldje dan een schilderij van zichzelf had, was hij in 1965 overgegaan op het beeldhouwen. Met succes, want b.v. in Hoorn stonden al spoedig enkele zeer gewaardeerde beelden van hem: de Jongens van Bontekoe bij de haven, de hond bij Tamarinde, het paard van de schillenboer met een keeshond op zijn rug en enkele werken in het St. Jansgasthuis. Ook in Grootebroek-Bovenkarspel valt werk van hem te bewonderen: een danseresje in een lantaarnpaal met een blaffende hond eronder en een polderschuit vóór de sporthal. Een jachthond siert op Texel het graf van een jager. Voor Blokker dacht Vlaar aan een uitbeelding van het gemeentewapen: de gerichtsboom met de kauwen (symbool van de dorpen waaruit de gemeente bestond). Maar toen van Druten daarvoor werd uitgenodigd, had hij als voorbeeld een kalfje-in-brons bij zich dat zo in de smaak van de gemeenteraad viel, dat op voorstel van raadslid Jan Groot dat beeldje werd gekocht (de kunstenaar vroeg verbouwereerd een prijs die ver onder de waarde lag!). Het valt nu te bewonderen ter plaatse van de overgang van Wester- naar Oosterblokker. Kan men hier een hint in zien, dat men een kunstenaar niet te veel aan een opdracht moet `binden`? Iedereen in Blokker is verknocht aan het kalfje!

Van Druten was ook de maker van het algemeen geprezen beeld van een oude Jood met jas en wintermuts dat in 1970 voor het nieuwe bejaardenhuis in Wervershoof werd geplaatst en door Vlaar bij de onthulling op 21 juni 1971 `Methusalem` werd gedoopt. In de gemeenteraad vond het idee van een beeld voor Tonis Harmansz. inmiddels meer bijval dan het voorstel voor een straatnaam in l969. Op 19 september 1972 werd in de gemeenteraadsvergadering besloten contact op te nemen met van Druten. Kraakman zegde meteen 50 gulden toe. Men deed overigens niet moeilijk over de onkosten en was ervan overtuigd, dat ook anderen met bijdragen zouden komen. Vanaf 1971 gold bovendien de zgn. éénprocentsregeling voor kunst, wat betekende duizend gulden per jaar. Het was kennelijk de gewoonte van van Druten eerst wat voorbeelden in het echt of op foto te tonen, dan wat kleine ontwerpen te maken (varianten) en dan het beeld op ware grootte in klei en tenslotte definitief in brons uit te voeren. Zo ging het ook in dit geval, maar achteraf is gebleken dat de opdracht niet erg zakelijk en uitgewerkt op papier is gezet `om de kunstenaar alle artistieke vrijheid te geven`. In de archieven worden elkaar tegensprekende prijzen genoemd: 9150 gulden, 7000 gulden, 10000 gulden. Maar dit laatste bedrag kan een afronding zijn van het eerste, omdat er ook nog een sokkel bij zou komen, en het middelste bedrag heeft misschien te maken met wat de gemeente via de éénprocentsregeling gespaard zou hebben als het beeld klaar was. Bijna iedereen was enthousiast: 9 stemmen vóór, 2 tegen: de een omdat het te duur zou zijn, de ander omdat het bedrag beter aan iets ‘socialers’ besteed kon worden en er al een beeld was in de gemeente. Het beeld zou 1.20 meter hoog zijn en een meisje voorstellen met een poort om zich heen waardoor hemellicht haar zou bestralen. De kloosterpoort van de Soudaensdochter was dus ook hemelpoort, iets wat oud-Hagevelders aanspreekt: Porta Coeli staat er op het Heemsteedse gebouw op de plek waar eens een klooster stond.

Begin oktober ging de opdracht in eerste instantie naar van Druten en op 12 en 13 februari 1973 toonde hij in de gemeenteraad een klein ontwerp (met poort), terwijl hij beloofde het beeld vóór het einde van dat jaar te zullen leveren, 1.20 meter hoog. Er zou een sokkel bij moeten van 2.30 meter, zodat het geheel op 3.50 meter zou komen. De betaling zou wel lukken: in het cultuurfonds zat intussen 3000 gulden, de Nutsspaarbank beloofde 1000 gulden, het pensioenfonds Grafische Bedrijven, dat het nieuwe winkelcentrum van Wervershoof financierde, 2000 gulden en er waren nog twee schenkingen bijgekomen van elk 500 gulden. Het beeld zou in het winkelcentrum worden geplaatst; de Raiffeisenbank, die dat jaar 75 jaar bestond, zou er een fontein bij plaatsen. Alles in overleg met de architect. Op 7 maart werd de opdracht definitief omschreven, op 26 maart nog een keer. Alles leek in orde.

Toen kwam de ommekeer. Volgens Kraakman heeft van Druten in de zomer van 1973 gewerkt aan een naakt van 1.60 meter. Volgens Vlaar was dat zijn artistieke vrijheid. Ikzelf vraag me af, of de kunstenaar zich wel echt geestelijk in de Soudaensdochter heeft verdiept, zoals blijkt uit een achteraf gegeven interview waar ik nog op terugkom. Hoe dan ook, in het najaar presenteerde van Druten een voorontwerp waartegen de gemeenteraad op 9 oktober nee zei. Om drie redenen: het ontwerp klopte niet met het gedicht, niet met de geest van Tonis Harmansz. en niet met de stijl van een Oosterse vrouw. Op 9 en 11 oktober werd hem duidelijk ingeseind: Houd je aan onze afspraak van het voorjaar. Op 22, 25 en 29 januari 1974 werden de problemen vóór, tijdens en na de raadsvergadering nog eens besproken, op verzoek van Kraakman buiten de pers om, omdat die er lucht van had gekregen en er een rel van zou maken. Het beeld dat van Druten had gemaakt, werd afgekeurd. Ook de modelkosten (volgens van Druten 2500 gulden) werden niet betaald. Kraakman verdedigde dit standpunt in het Noord-Hollands Dagblad van 1 februari. De burgemeester en secretaris Kolvenbag bezochten de kunstenaar en zagen in zijn atelier het beeld: ze vonden het mooi, maar niet geschikt. Vlaar bezocht ook Kraakman op 18 februari om te zoeken naar een compromis, maar daags erna schreef deze hem een brief waarin hij hem met een verwijzing naar de prozatekst van Boekenoogen dringend adviseerde: óf géén naakt óf weg met van Druten. Hij noemde de kunstenaar zelfs a-christelijk. Hij voelde voor het idee van zijn huisgenote Mej. Nel Kolkman: een meisje in een kaftan met een bloemenboeket in haar linker- en een enkele bloem in haar rechterhand, waar ze peinzend naar kijkt, op zoek naar de maker van de bloemen.

Maar het beeld komt! Op 6 maart 1974 is er weer raadsvergadering. Op verzoek van Kraakman wordt de pers (weer) buiten de navergadering gehouden en dan brandt hij los: Breek óf met van Druten óf met de Soudaensdochter! Het gaat hem niet om het naakt, dit beeld is zelfs een mooi beeld, maar het heeft niets met Tonis Harmansz. te maken! (Kraakman zet op papier: Tonis Harmansz., vroeger wonende in Wervershoof!). Vlaar is op bezoek geweest bij de kunstenaar: hij is ervan overtuigd, dat het beeld echt voor Wervershoof gemaakt is. Maar de gemeenteraad beslist: het beeld wordt meteen na de vergadering van 6 maart teruggestuurd en van Druten wordt nogmaals op het hart gedrukt: ”houd je aan de afspraak!”. Twee keer wordt als ‘nieuwe’ opdracht bevestigd: een gekleed beeld, niet zo groot. Dan is het op dit front een jaar rustig.

Op 29 mei 1974 is Vlaar nog burgemeester van Wervershoof. In die maand vinden de gemeenteraadsverkiezingen plaats. ABC (vooral Onderdijk en Zwaagdijk) komt in de raad, met Progressief Wervershoof, Boerenpartij en VVD. In juni l975 vertrekt Vlaar. Hij is achteraf, zo blijkt uit zijn In Memoriam bij de begrafenis van van Druten in 1993, kwaad op de clerus en beschrijft de soudaensdochter als een `door het christendom gekaapt moslimmeisje`.

In afwachting van de nieuwe burgemeester, J. B. M. (Han) Meijer, laat de gemeenteraad op 16 september 1975 aan van Druten vragen: `Waar blijft het afgesproken beeld?` Meijer gaat ook zelf in diens atelier het afgewezen naakte beeld bekijken, samen met Kraakman, maar vindt de kunstenaar in een café, niet erg aanspreekbaar. Op 18 november stuurt van Druten zijn nieuwe ontwerp, maar met een honderd procent hogere prijs: 20000 gulden. Hij zal het maken met een hoogte van 1.60 meter, tenzij het kleiner moet. Opnieuw een probleem dus, nu voor de nieuwe gemeenteraad en de nieuwe burgemeester. In maart 1976 vraagt de kunstenaar: ” Hoe zit het nu?” Er is intussen in Wervershoof een Thonis(!) Harmansz.-plantsoen als woonstraat gepland, dus erg veel behoefte aan een nieuwe discussie is er niet. Bovendien is het winkelcentrum zo goed als klaar, zonder beeld, zonder fontein. Op 14 en 22 juni komen in de gemeenteraad drie mogelijkheden op tafel: een gekleed beeld van 160 cm voor 20000 gulden, een van 120 cm voor 11000 gulden of een van 60 cm voor 9000 gulden. Het voetstuk wordt geraamd op 1800 gulden, maar Meijer vindt een bloemenheuvel ook geschikt en goedkoper! Men besluit tot het beeldje van 120 cm met 5 stemmen vóór, 3 tegen. Eén van de drie tegenstemmen komt van de Boerenpartij: de heer Botman is naar Rome geweest en heeft daar een beeldje gekocht van een vrouw die keurig haar edele delen bedekt voor 20 gulden terwijl ze 20 cm hoog is. Marmer en naakt en prachtig! Eén gulden de centimeter, dat is pas wat! De heer Knijn (CDA) is het met hem eens. De pers smult. De derde tegenstem komt van mevr. van Diepen-Koomen, die de zaak zo zat is, dat ze van alles af wil. Bij de vóórstemmers zijn de heren Grooteman en Haakman van ABC, die nog eens bevestigen dat Kraakman eigenlijk gelijk had. Op 1 juli krijgt van Druten het besluit te horen. Hij stemt in en belooft op 25 oktober, dat het beeld in december 1978 klaar zal zijn. Dan is er 8000 gulden in de cultuurkas, zodat de betaling geen probleem zal zijn. Maar in verband met de voltooiing van het winkelcentrum vinden de meesten dat het beeld(je) eerder geplaatst moet worden. Van Druten belooft: medio 1977. Het is geworden: 14 februari 1978. In 1977 is de kunstenaar aan het werk op zijn atelier. Kraakman is ook druk bezig, maar dan met zijn onderzoek naar Tonis Harmansz.. Hij weet Verhaak op te sporen en schiet aardig op met zijn papieren.
Op 14 februari 1978 komt het nieuwe beeldje aan op het gemeentehuis. Het maakt lang niet zoveel indruk als het eerste beeld, het hoofd is kaal (volgens van Druten betekent dat: maagdelijkheid), de sultansdochter draagt geen bloemen, is gekleed in een plooirokje en 150 cm hoog. Het voetstuk dat erbij hoort is ook 150 cm. Van enthousiasme geen spoor.
Begin maart vroeg de VARA informatie bij secretaris Kolvenbag en op 14 april werd er op de televisie in het programma ‘Hoe bestaat het?’ over de geschiedenis van het beeldje verteld. Heel Nederland genoot. Kraakman heeft het beeldje nog gezien in het gemeentehuis, maar schreef op Witte Donderdag aan de burgemeester of ze wilden zorgen voor een waardige(r) plaats. Bovendien bood hij zijn geschriften aan ter lezing door belangstellenden. Ergens besefte hij zijn tekortkomingen: `Zelf meen ik misschien, dat mijn uil een valk is`. ‘Tot derde Paasdag ben ik op Texel.` schreef hij. Na een halve dag in het ziekenhuis van Hoorn stierf hij op 20 juli 1978. Hij werd bij zijn uitvaart door pastoor Janssen waardig herdacht, maar zonder enige toespeling op Tonis Harmansz..

Nu deed zich nog een probleem(pje) voor: Waar moest het beeldje geplaatst worden? Sommigen wilden in 1978 eerst nog een blijvende plaats in het vernieuwde gemeentehuis, maar de gemeenteraad voelde eigenlijk niet veel meer voor de hele zaak. Op 22 december stuurde de gemeente aan de Nutsspaarbank, die beloofd had de tekst van ‘Des Soudaens Dochterkijn’ onder alle bewoners te zullen verspreiden b.g.v. het plaatsen van het beeldje, een brief met het verzoek tot verspreiding, want het gemeentehuis zou de definitieve plaats worden. Kennelijk werd dat verzoek herroepen, want op 8 maart 1979 ging er een tweede verzoek uit. Daarna (waarschijnlijk na weer een herroeping) werd op 14 mei een brief van de gemeente bij alle bewoners van het Bisschop Grentplantsoen bezorgd met de vraag of ze akkoord gingen met plaatsing van het beeld op hun plantsoensplein. Pas in juli 1980 kwam de tekst in alle huizen en sprak men in de begeleidende brief van `dit voorjaar geplaatst`. In de brochure stond een voorwoord van burgemeester Meijer, een toelichting van de inmiddels `salighe` Kraakman en enkele gegevens over Tonis Harmansz.: Wat deed hij? Waar woonde hij in ons dorp? In een huis in de bocht van de Dorpsstraat? En de tekst natuurlijk van De Soudaensdochter in de versie van van Duinkerken. Kennelijk is alles zonder enige ophef gegaan, wat Meijer mij bevestigde. Het beeldje staat er, onopvallend, het perk eromheen ziet er wat verwaarloosd uit, een paar struiken geven het nog enige allure. De erbijstaande zitbank nodigt niet echt uit tot zitten en peinzen.

Op 24 juli 1990 verscheen er in het Noordhollands Dagblad een overzichtsartikel over deze beeldenstorm, terwijl Bas Roodnat in de NRC in 1993 een artikel schreef onder de titel:`Leeft Jan van Druten nog?` Hij vroeg zich daarin af, hoe het komt, dat kunstwerken soms zonder kunstenaar de geschiedenis ingaan. Het paleis op de Dam kan iedereen tot de maker terugbrengen en zeker de Beurs van Berlage, maar het standbeeld van Vondel in het Vondelpark? En het Rijksmuseum of het Centraal Station? En soms is het andersom: velen kennen de kunstenaar, maar niet zijn kunst: Jan Steen, P. C. Hooft e.d. Ikzelf zou deze vragen wel eens willen voorleggen aan de Wervershovers betreffende Tonis Harmansz..

Al eerder, waarschijnlijk in of niet zo lang na 1978, was er over Jan van Druten een uitgebreid artikel verschenen -met grote foto- in het tijdschrift Finale, waarin de kunstenaar zelf zijn gal spuwde over `Wervershovers die seks en erotiek door elkaar halen`. Hij had voor het eerste beeld, beweerde hij, al 2500 gulden onkosten gemaakt, maar nooit iets ontvangen. Afgaande op dit soort uitspraken vraag ik me af, of van Druten wel ooit iets van het boekje van Tonis Harmansz. heeft begrepen, misschien ook niet van het lied van de Sultansdochter. Kraakman en van Druten gaan hopelijk in het hiernamaals nog eens met elkaar in gesprek.

Hoe is het verder met de kunstenaar gegaan? Oud-burgemeester Vlaar heeft altijd contact gehouden met de familie. Voor zover mogelijk, want Jan zelf heeft de laatste tijd van zijn leven zwervend in Amsterdam doorgebracht, geplaagd door drank en wanen. Als hij in een café verzeild raakte, deelde hij zijn beelden uit aan de stamgasten voor een borrel. Enkele jaren voor zijn tragische dood in 1993 (de begrafenis was op 23 juli, waarbij Vlaar het woord voerde) hebben zijn kinderen de beelden verzameld en via een contract in bruikleen gegeven aan de gemeente Venhuizen. 18 beelden, waaronder de naakte ‘sultansdochter’. Eén, de stinkende bok, staat nu naast het gemeentehuis van Smallingerland en er moet ergens nog een muziekgroep van hem zijn. De Venhuizer beelden blijven te koop, maar staan voorlopig zorgvuldig opgesteld, de meeste in het gemeentehuis, enkele andere (o.a. een replica van de geklede sultansdochter) in de Bosmanstichting. Van de jongens van Bontekoe staan replica’s in Japan. Jan van Druten, R.I.P.

Van Druten, nog altijd
verbaasd in zijn
Amsterdamse
beeldhouwersatelier.


 
 
     
     
     
Klik hier als u links geen menubalk ziet » Home |  © Gerard Weel |  ga naar boven