Waarom deze uitgave?

Ruim vier eeuwen geleden verscheen er in Amsterdam bij drukkerij Muller in de Warmoesstraat een boekje met troostende liederen voor de katholieken die in die jaren hun geloof daar niet meer mochten uitoefenen, althans niet in het openbaar. Op de titelpagina van het keurig gedrukte werkje dat tachtig bladzijden omvatte, stond vermeld dat deze Liedekens eertijds gemaakt waren bij de "salighe Tonis Harmansz. van Warvershoef". Het lag voor de hand dat de katholieken in de negentiende eeuw, toen er eindelijk vrijheid van godsdienst was gekomen in Nederland, op zoek gingen naar de achtergrond van deze "schrijver", van wie al gauw duidelijk was dat hij meer de samensteller dan de dichter van althans het eerste deel van dit zeer katholieke boekje was. Op de voorkant stond ook niet dat hij de schrijver was, maar dat de liederen 'by' hem gemaakt waren en dat er nog andere liederen waren toegevoegd uit zijn omgeving. Bovendien, zo stond er, had een 'vermaert ende gheleert man' er nog weer andere bijgezet en 'in 't licht ghebracht'. Men vroeg zich rond 1850, toen het boekje werd herondekt, met Joseph Alberdingk Thijm af wie die Tonis was geweest en wat 'zijn' boekje behelsde.

De eerste persoon die aandacht vroeg voor het boekje van Tonis Harmansz. was geen Wervershover, zelfs geen katholiek, maar Mr. L. Ph. C. van den Bergh in 'De Gids' van 1848 (deel 1, blz. 807) n.a.v. Snellaert's behandeling van het boek met oude liederen van J. F. Willems. Reeds hij (van den Bergh) meende in Tonis Harmansz. van Warvershoef de dichter van 'De Soudans Dochter', het opvallendste gedicht uit het boekje dat eeuwenlang in de volksmond had voortgeleefd en in Willems' boek aan de orde was gesteld, gevonden te hebben, terwijl de andere twee, Snellaert en Willems, terecht heel wat voorzichtiger waren. Het was in de tijd dat de katholieken in Nederland weer 'mochten'. Logisch dus, dat de voorstanders van de herwaardering van de vˇˇrprotestantse Nederlandse letterkunde enthousiast gingen meedoen aan de rehabilitatie van het gedichtenbundeltje en van de schrijver(s) ervan. Acquoy, van Vloten, Thijm, Kalff, te Winkel, van Duyse, Knuttel, Hoffmann, Scheurleer, van Mierlo, Moller, van Duinkerken, Knuvelder: allen hebben ze er aandacht aan geschonken, de een meer dan de ander. De meesten van hen schreven positief over vooral de 'irenisch-zachtaardige' toon van deze katholieke liederen (een mening waar ik het niet zo mee eens ben, 'de werelt' komt er in elk geval soms zeer slecht van af!), maar anderen twijfelden aan het auteurschap van Tonis Harmansz. of betwijfelden de kwaliteit van de teksten. 'Des Zoudaens Dochterkijn' werd algemeen als van poŰtische waarde gezien, niet als origineel.

Dat de gemeenschap van Wervershoof werd gealarmeerd, is vooral te danken aan Prof. Dr. W. Asselbergs (A. van Duinkerken), die in zijn bloemlezing van Nederlandse katholieke poŰzie in het deel "Dichters der Contra-Reformatie" (Utrecht 1932) het gedicht van 'het Soudaens Dochterkijn' opnam. Hierbij zette hij al een vraagteken achter de naam van de zogenaamde auteur ervan en bovendien een h in diens voornaam (Thonis) die ik alleen terugvond in een latere uitgave (Corn. Dirckz. Cool, Amsterdam 1643). Speelde de afkorting THvW, als hij die gebruikte, hem parten? De H van Harmansz. dus? Op blz. 29 spelt hij nog Tonis, op blz. 155 en 336 Thonis. Dit leidde ertoe dat ook de gemeente Wervershoof die h opnam in de plaatselijke eerbewijzen (-plantsoen en -beeld).

Waarschijnlijk n.a.v. van Duinkerken (ik kom verderop op hem terug) kreeg men ook aandacht voor het reeds in het begin van de zestiende eeuw verschenen exempel in proza over de Soudaensdochter, gedrukt bij Frans Sonderdanck in Delft en opgenomen in de serie Volksboeken, uitgegeven door dr. G. J. Boekenoogen (deel IX, Leiden, E. J. Brill 1904). Het werd b.v. samen met de tekst van het gedicht door Ad Bevers van 'Ons Leekenspel' in Bussum bewerkt tot een toneelstuk dat in 1946 ter ere van het zilveren priesterjubileum van de pastoor van Heerhugowaard-Kruis, P. M. Verhoofstad, (gestorven in Wervershoof in 1976) eenmalig werd opgevoerd. En in 1949 zelfs driemaal ten bate van de Bond zonder Naam. Pater H. de Greeve besteedde er in zijn 'Lichtbaken' van 13 augustus 1949 uitgebreid aandacht aan, wat waarschijnlijk meer tot de populariteit van het verhaal heeft bijgedragen dan het feit dat Guido Gezelle er in 1866 al een bewerking-in-dichtvorm van had gemaakt (Rond de Heerd, Brugge, 1, blz. 221) en F. van Duyse er reeds enige varianten van had gepubliceerd in het begin van de vorige eeuw. Gezelle kende het gedicht uit overlevering en noemde het een kniedicht, d.w.z. een vers om een kind op de knieŰn van de ouders mee in slaap te wiegen. Wel wist men dat Joseph Alberdingk Thijm, die met Gezelle correspondeerde, aan Tonis Harmansz. 'de erepalm' had toegekend naast Vondels 'grootheid', hetgeen blijkt uit een brief van kapelaan Karel LautenschŘtz aan Kraakman in 1926, waarin al voor een gedenkteken wordt gepleit. De mening dat een Wervershoofse dichter de auteur was van Des Soudaens Dochterkijn greep gretig om zich heen.

Kraakman zelf, toen nog in als deken in Alkmaar, heeft eerst in december/januari 1962-1963 en later rond de jaarwisseling van 1963-1964 samen met de Wervershoofse pater Th. Steltenpool S.V.D. en meester P.Smit, de directeur van de plaatselijke lagere tuinbouwschool, aandacht gevraagd voor Tonis Harmansz. in het Wervershoofse veel gelezen weekblad 'Binding'. De tekst van De Sultansdochter (lied no.11) en ook het in de bloemlezing van D.Wouters (1915) opgenomen gedicht 'Ik ben verdroogd' (no. 8) werden daarin afgedrukt. Ik heb trouwens gemerkt, dat er in Wervershoof inmiddels nog meer liederen uit het boekje in omloop waren, zoals het lied 'Ave Maria gratia plena' (no. 22), waarschijnlijk verspreid via (kost)schoollessen en bloemlezingen. Kraakman vroeg al in de zestiger jaren of er niet een straat naar 'de plaatselijke bard' genoemd kon worden, maar men vond in de gemeenteraad die naam 'te deftig', 'te lang', 'niet duidelijk', 'niet modern' enz. en zo werd het 1976 voor er een Thonis (!) Harmansz.-plantsoen kwam. In het genoemde Bindingnummer vermeldt H.L. (Han Leroi) in een geschiedenislijst van Wervershoof de naam van Tonis Harmansz. onder het jaartal 1615. Ik weet niet op basis waarvan. Het is zeker dat hij leefde en stierf in de zestiende eeuw.

Nadere gegevens over 'de Wervershoofse dichter' werden in een later Binding-nummer (13-5-'65) toegevoegd door L. Voets, oud-archivaris van het R. K. Bisdom Haarlem. Hij schrijft dat hij die vond bij een exemplaar van het boekje in de bibliotheek van Museum Amstelkring in Amsterdam. Het betreft het jaar van inschrijving van Tonis als leerling van de Latijnse school (1558), dat hij er later leraar was (geen priester, wel geestelijke), dat hij het Nederlands hoog hield onder de humanisten en hoorde bij een groepje schrijvers die zelf liederen maakten maar die ook bekende liederen opnamen in hun uitgaven, o.a. van de beroemde redenaar pater Brugman. Toen ik echter vorig jaar contact opnam met de conservator van die bibliotheek dhr. Robert Schillemans (Voets is inmiddels overleden) bleek die van geen boekje of curriculum iets te kunnen vinden.

Hoe dan ook, Kraakman wist in 1963 de gemeente, toenmaals o.l.v. burgemeester J.C. Molenaar en secretaris J. Roovers, zover te krijgen dat er op 27 februari aan een twintigtal deskundigen en instituten informatie werd gevraagd over Tonis Harmansz.. Het waren: de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, prof. dr. W. Asselbergs (Anton van Duinkerken) in Nijmegen, Dr. W. Lampen in Utrecht, Dr. P. J. Meertens, pastoor L. Voets, archief Bisdom Haarlem, UB Nijmegen, UB Amsterdam, archief Hoorn, archief Noord-Holland, Kon. Academie van Wetenschappen Amsterdam, De Maatschappij voor Ned. Letterkunde Leiden en nog enkele andere(n). De brief ging ter informatie naar: Binding, pater Steltenpool en meester Smit. De meesten gaven als reactie dat ze niets te melden hadden. Dr. Meertens stuurde wel een zeer informatieve antwoordbrief met daarin ook nog de nodige gegevens over een andere Wervershoofse dichter, Corn. Maertsz.. Wie ook zeer positief reageerde was prof. Asselbergs die zelfs bereid bleek -uiteraard op kosten van de gemeente Wervershoof- een ervaren neerlandicus aan te wijzen voor een onderzoek en een uitgave. Toen de gemeente hier (pas in 1965) op inging, werd de heer dr. G. Verhaak belast met -in eerste instantie- het onderzoek. In het begin reageerde hij heel enthousiast maar naargelang hij vorderde, verzandde hij kennelijk en er gingen jaren overheen zonder dat hij iets van zich liet horen. In 1967 kwam Kraakman als emeritus naar Wervershoof. Hij wist Verhaak in september 1977(!) op te sporen en zorgde dat de door de gemeente beschikbaar gestelde fotokopie van het bekendste exemplaar van het boekje uit de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (fotokopie 1703 H 8) naar hem werd teruggestuurd, zodat hijzelf aan het werk kon. Overigens is die fotokopie uiteindelijk in de erfenis van Kraakman zoekgeraakt, zodat ik nieuwe, ook van de andere twee K.B.-exemplaren, heb laten maken. Dr. Verhaak schreef een welgemeende excuusbrief, maar heeft niets van zijn materiaal beschikbaar gesteld.

Kraakman zelf ging dus aan het werk. Hij las de liederen door, maakte een lijst van de beginregels en vatte van elk lied de inhoud samen, soms met enig persoonlijk commentaar. Verder schreef hij, meer als amateur dan als wetenschapper -wat hijzelf terdege besefte-, artikelen over: De Geschiedenis van het Onderzoek tot 1978; De Geestelijke Liederen o.a. van Tonis Harmansz.; Het Suyverlick Boecxken en zijn Inhoud; Het Thema van Des Soudaens Dochterken; De Zestiende Eeuw; Het Resultaat van de Reformatie in West-Friesland; en: Naar een Monument voor Tonis Harmansz.. In de volgende hoofdstukken heb ik daarvan in dankbaarheid geprofiteerd, ook al viel er wel wat te corrigeren.

Deze inleiding en deze tekstuitgave heb ik gemaakt om twee soorten lezers te bevredigen. Ten eerste de Wervershovers (of degenen die ge´nteresseerd zijn in die gemeente) die nu wel eens willen weten of het terecht is dat er in de afgelopen jaren zoveel aandacht is gevraagd voor en besteed aan de figuur van Tonis Harmansz. van Warvershoef als een coryfee van het plaatselijke voorgeslacht. En ten tweede de meer wetenschappelijk belangstellenden die het tot nu toe jammer hebben gevonden dat het Suyverlick Boecxken, dat zo typerend is voor zijn tijdsperiode, niet nader is onderzocht en aan historici, neerlandici en theologen ter kennis gebracht. De Wervershovers zal ik waarschijnlijk ter zake wat bescheidener, de wetenschappers wat ge´nformeerder maken.


Exemplaar KB B

Exemplaar KB C


 
 
     
     
     
Klik hier als u links geen menubalk ziet » Home |  © Gerard Weel |  ga naar boven