Wie was Tonis Harmansz., wat betekent 'van Warvershoef' en wat presteerde hij?

Om nog wat dichter bij de persoon van Tonis te komen is het wellicht goed de titelpagina van ‘zijn’ boekje nader te bekijken en te analyseren. Als iemand Tonis Harmansz. van Warvershoef wordt genoemd op het eerste blad van een gedrukt boekje uit de zestiende eeuw, kan men zich afvragen 1. of hij ook echt zo heette, 2. of hij werkelijk in Wervershoof geboren was of slechts via zijn familie van daar afkomstig, 3. of er maar één Warvershoef bestaat, en 4. of de spelling van zijn naam steeds dezelfde is geweest.

Wat punt 1. en 4. betreft: ‘Tonis’ was in die tijd waarschijnlijk een normale voornaam, afgeleid van één van de twee beroemde Ant(h)oniussen: de monnik met het zwijn of de mensenhelper van Padua. Wat wel opvalt is, dat de afleidingen in het Zuiden vaak de ‘o’ hebben (b.v. Anthonis de Roovere) of de ‘u’ (in de omgeving van Boxmeer noemt men het dorp St. Anthonis St.Tunnis), terwijl in het Noorden de ‘eu’ meer voorkomt: Teun, Teunis, Teuntje naast Toon, Ton, Tony, Tonia. Teunis komt in het Noorden meer voor dan Tonis. Maar of dat in de zestiende eeuw ook zo was, is de vraag. Men mag hier zeker niet uit afleiden dat deze Tonis uit het Zuiden zou komen. De Sint Antoniebreestraat ligt in het hartje van Amsterdam! Dat van Duinkerken bij zijn publicatie van Des Soudaens Dochterken de ‘h’ (Thonis) invoegde, verwondert mij. Maar in hetzelfde Amsterdam kent men de Sint Anthonispoort en in latere edities van het boekje doet zich dit verschijnsel, zoals reeds opgemerkt, ook voor b.v. in die van Mullers schoonzoon Cornelis Dircksz. Cool in 1643. Misschien zit er een etymologisme (=overdreven aandacht voor de oorsprong van een woord) achter: het Griekse ‘anthos’ (= bloem) heeft een thêta, geen tau. Van Duinkerken is niet consequent: hij vermeldt de naam drie keer, één keer zonder, twee keer mét ‘h’, zoals ik al opmerkte in hoofdstuk I.

Het patronymicum (=naam van de vader afgeleid) Harmansz. is voor die tijd heel normaal. In sommige drukken staat: Harmensz. Harmen en Herman komen nu nog naast elkaar voor, Harman niet meer. In die jaren hadden veel Hollanders, getuige het boek over Graft van prof. dr. A. Th.van Deursen, als ‘achternaam’ alleen een verwijzing naar hun vader en als men ze meer wilde specificeren een toponymicum dat de plaats waar de familie vandaan kwam aanduidde, of een echte bijnaam (b.v. Gerbrandt Adriaensz. Bredero, Michiel Adriaansz. de Ruyter) waarmee vaak een eigenschap, een beroep, een woonplek of iets dergelijks werd aangeduid.

De spelling ‘van Warvershoef’ geeft weinig misverstanden: de later gebeurde a/e -wisseling in de eerste lettergreep is een gewoon verschijnsel, in het plaatselijk dialect wordt zelfs een û gehoord, zoals in `wurgen`. De e in de laatste lettergreep maakt de o tot lange ô, zoals in `och` (niet tot tweeklank of oe), ongeveer zoals in de tweede regel van het Wilhelmus ‘bloedt’ = ’blôdt’, rijmend op ‘doet’ = ’dôd’. Men spreke dus uit: ‘-hôf’ met een lange ô-klank als in `bocht`.

Wat betreft punt 2 en 3: Terwijl Petrus Apherdianus (Pieter van Afferden) op het eerste gezicht uit een van de twee Afferdens, het Gelderse of het Limburgse, zou kunnen komen (onderzoek heeft uitgewezen, dat het om het Limburgse ging), is er -gelukkig!- maar één Wervershoof. Maar dat wil nog niet zeggen, dat Tonis er geboren is! Zoals Pieter van Afferden werd geboren in Wageningen uit een Afferdiaanse familie en b.v. Jacob van Heemskerck in Amsterdam, zo kan Tonis van Warvershoef uit een Wervershoofse familie afkomstig zijn geweest maar er niet zijn geboren. In dit verband ben ik de afkomst nagegaan van de negentien martelaren van Gorkum die in Tonis’ tijd (9 juli 1572) opgehangen zijn. Volgens de archivaris van Gorkum, die een wetenschappelijk verantwoorde brochure over die martelaren heeft gepubliceerd (A. J. Busch, De Martelaren van Gorkum, 1985, 2e ed. 1999), hadden er van de 19 gehangenen 16 een toponiem (=een naam afgeleid van een plaatsnaam), terwijl er slechts 12 van hen ook in die plaats geboren waren (één twijfelachtig: Johannes van Keulen). Leonardus van Veghel b.v. was geboren in ’s-Hertogenbosch in 1527. Het is ook mogelijk dat men bij inschrijving in een klooster of op een Latijnse School naast zijn vaders naam ook de plaats van afkomst moest opgeven en dat men die dan verder als achternaam meedroeg, wat bij de paters Capucijnen nog steeds gebruikelijk schijnt te zijn. Maar de plaats van afkomst is niet per se de geboorteplaats. Al met al is het waarschijnlijk maar niet zeker dat Tonis Harmansz. (of in elk geval zijn familie) van Wervershoof afkomstig was. Dat Kraakman en Voets een hele beschrijving geven van zijn jeugd in Wervershoof, lijkt mij aardig bedacht maar niet verantwoord. Voets schijnt wel gevonden te hebben dat hij in 1558 werd ingeschreven als leerling van de Latijnse School te Amsterdam en daar later leraar werd. Dit zou betekenen dat zijn geboortejaar rond 1545 lag want de normale inschrijfleeftijd viel in de tienerjaren. Als het boekje in eerste uitgave van ongeveer 1580 is en Tonis toen al was overleden, dan is hij niet oud geworden en is misschien het boekje uit meeleven en eerbetoon op zijn naam gezet. Uit veiligheid ook of uit waardering voor zijn bijdrage(n)?

De titelpagina van het boekje geeft aanleiding tot een ander, niet onbelangrijk probleem dat wezenlijk aan de inhoud raakt. Wat betekent ‘ghemaeckt by’? Allereerst zou men zich kunnen afvragen of dit syntactisch (=in de zinsbouw) hoort bij ‘Boecxken’ of bij ‘Liedekens’. Als het eerste het geval is, zou dat een aanwijzing kunnen zijn dat Tonis Harmansz. meer bij de samenstelling van het boekje dan bij het maken van de liederen betrokken was. Maar gelet op de zinsconstructie zou dan `Gheestelicke Liedekens` niet gevolgd worden door een beperkende bijzin of bepaling, wat onlogisch is. Men kan hieruit de gevolgtrekking maken dat ‘ghemaeckt by’ op ‘Liedekens’ slaat, wat ook overeenstemt met de plaatsing ervan. `Hier` in het vervolggedeelte kan wel slaan op ‘Boecxken’ want anders had er wel gestaan: `Aan deze’ of iets dergelijks (in aangepaste spelling, natuurlijk) en was het lettertype waarschijnlijk minder gelijkwaardig geweest. Als met de ‘vermaerde en gheleerde’ man inderdaad Pieter van Afferden is bedoeld, heeft die waarschijnlijk meer de samenstellende arbeid verricht dan dat hij eigen teksten inbracht. Er staat ‘hier by gheset ende in’t licht ghebracht’. Apherdianus had goede contacten met Muller en wist van uitgeven. Hij beheerste zoals gezegd ook zijn moedertaal.

Daarmee stuiten we op een cruciaal probleem: hoe het eerste en het derde woordje ‘by’ te verstaan? Volgens het WNT (Woordenboek van de Nederlandse Taal, Nijhoff Den Haag 1898 II 2567-2584), het Middelnederlands Woordenboek van Verdam en Verwijs (Nijhoff Den Haag 1885 I 1230-1237), van Dale (Etym. Wb.) en de beide andere etymologische woordenboeken: dat van de Vries en dat van Philippa, Debrabandere en Quak (EWN) bestond het voorzetsel ‘door’ al volop in het Middelnederlands als aanduiding van de handelende persoon (zie b.v. op de titelpagina van Tonis’ boekje, regel 10). `By` werd (naast ‘van’) wel eens gebruikt om de oorzaak -niet zozeer de handelende persoon- van iets aan te duiden, maar volgens het WNT is ‘bi’ of ‘by’ in verreweg de meeste gevallen een locatief (=plaatsaanduidend) voorzetsel. Er zijn maar enkele gevallen van ‘bi’ bij personen waarbij men aan ‘door’ zou kunnen denken, b.v. in ‘verleden by de notaris’, maar ook dan is het locatieve element niet uitgesloten. Als `by` bij niet-personen voorkomt en niet locatief is, betekent het soms ‘door middel van’, b.v. ’bi welcken list’, en soms ‘gedurende’, b.v. ‘bi vele daghen’. ‘In de nabijheid van’ is dus de normale betekenis. Het gewone voorzetsel vóór de handelende persoon was ‘door’. Vondel mag dan bijna een eeuw later het collectieve middeleeuwse ‘by’ vervangbaar zijn gaan achten door het meer individualistische ‘door’ van de Renaissance (Werken 12,18), dat wil nog niet zeggen, dat het in de tijd van Tonis Harmansz. al zo was. Misschien door de latere gevoeligheid voor het Engels heeft men al te lichtvaardig ‘bi’ of ‘by’ (ik vertaal: ‘in de kring van..’) gelijkgesteld met het Angelsaksische ‘by’ en daardoor beweerd, dat het boekje of de liederen dóór Harmansz. zouden zijn gemaakt. En daarmee dus, dat hij zelf de dichter zou zijn, althans van een aantal van de gedichten. Als we ‘by’ lezen als een locatief voorzetsel, is veel begrijpelijker hoe de verzameling der Liedekens ontstaan is: als product van sommige in het (Noord-)Nederlands thuis zijnde zusters (en misschien broeders) van het Gemeene Leven, die op hun bekende wijzen contrafacten (nieuwe teksten op bekende melodieën) maakten in de kring van Tonis Harmansz. van Warvershoef. Of als resultaat van roomsgezind gebleven leraren en rederijkers die, misschien bijeenkomend op de zolder van de kapel van de zusters van het Margarethaklooster, voor hun bedroefde harten troostliederen schreven. Van de eerste groep is Harmansz. er misschien een geweest maar hij kan zich ook beperkt hebben tot stimuleren en redigeren. Opmerkelijk is dat op het reeds genoemde boekje van broeder Anthonis (met h!) van Hemert wél staat ‘gemaeckt dóór’. Misschien was die wél een echte dichter! Of Pieter van Afferden bij het boekje van Tonis’ kring betrokken is geweest en ook zelf Nederlandse teksten schreef, blijft de vraag. Het zullen mogelijk handigheid en voorzichtigheid van hem en van Muller geweest zijn, dat zij in de Alteratietijd een dierbare overledene eerden en Apherdianus anoniem lieten zijn. Vandaar dan de epitheta (=eretitels) ‘vermaert ende gheleert’ voor de wegschuilende geleerde Petrus Apherdianus die mogelijk bij het maken van zijn boekje van 1574 over de `wegkwijnende mens` aan de bezwijkende Tonis heeft gedacht.

Wat tenslotte het vermelden van de drukker op de titelpagina van het boekje betreft: in het tweede exemplaar van de Koninklijke Bibliotheek, door mij genoemd B, dat tot voor kort waarschijnlijk ten onrechte als van latere datum dan A en C werd beschouwd, staat de drukker niet vermeld, is het eerste (nogal Bourgondische d.w.z. rooms-vrolijke) lied weggelaten en is `Des Soudaens Dochterken` ingekort. Zijn dit aanwijzingen dat de uitgever Muller toen nog angstig was? Of nadrukkelijk protestants? Het kan niet van vóór 1600 zijn, want in lied 2 (2x) en lied 6 is de jaartelling aangepast aan de nieuwe eeuw. Of mikte hij alleen maar op een meer protestants lezerspubliek? Meer hierover in hoofdstuk VI.

Aan het eind van lied 10 (volgens sommigen het laatste lied van de eerste serie, toegeschreven aan Tonis Harmansz. zelf) staat dat de schrijver de wereld verlaten had en een kloosterken onder zijn beheer hield. Dit lied is een bewerking van een gedicht uit het Antwerpse Liedboek van 1539 (het Devoot en Profitelick Boecxken), waar het op een vrouwelijke overste betrekking had. Hier is het omgezet naar een manspersoon. Was Tonis prior van een klein filiaal van het grote Margarethaklooster? Of is ook deze bewerking niet van hem maar van zijn overste?


Pag. 24 + 25
(verso en recto): Het begin van het lied van de Sultansdochter






 
 
     
     
     
Klik hier als u links geen menubalk ziet » Home |  © Gerard Weel |  ga naar boven