Drie generaties WEEL uit Onderdijk

door Gerard Weel


Als je je voorgeslacht wilt onderzoeken, stuit je beslist op het probleem van de “uitwaaiering”. Je bent namelijk -zo blijkt al gauw- meestal niet de enige van je ouders en/of zij niet van de hunne enzovoorts. Hoe meer je teruggaat, hoe meer erbij komen: je voorouders blijken hele groepen mensen te zijn, omdat elk nieuw echtpaar steeds twee series eigen voorouders met zich meebrengt mét het betreffende voor- en nageslacht daarvan. Uiteindelijk zijn we allemaal familie van elkaar, luidt het oude gezegde. Wil je dus iets over je familie vertellen, dan móet je wel afkappen. Bij gebrek aan tijd maar ook bij gebrek aan gegevens, want meestal geldt: hoe verder terug, hoe meer in het moeras van de onbekendheid. Vaak houdt men één achternaam vast waardoor men de vrouwelijke lijnen alvast laat zitten en bovendien ontdoet men zich gewoonlijk op een gegeven moment ook van de broers van een voorvader, vooral als die ook een heel nageslacht hebben verwekt. Dikwijls beperkt men zich tot het zoeken van de vader en moeder van één persoon en gaat dan verder met de vaderlijke lijn van die beiden of van één van de twee. Zo ook in mijn geval: Ik beperk me tot de Welen van mijn eigen directe familietak in Onderdijk en ga niet veel verder dan slechts twee generaties terug. Wie daardoor buiten dit bestek valt, zou zich zelf tot onderzoek en schrijven kunnen zetten. Wie weet doet mijn voorbeeld u volgen!

In ons gezin -fam. Weel-de Lange- was genealogische belangstelling nogal duidelijk aanwezig, vooral omdat onze vader, die van verhalen vertellen hield, bij hoog en bij laag beweerde dat hij van Spaanse adel afstamde en omdat onze moeder -met betrouwbaarder argumenten- soms met ontroering vertelde dat haar voorouders een kasteel bewoonden. Achteraf is ons gebleken dat de eerste graag ‘geschiedenis’ bedacht om b.v. de donkere haarkleur (en het vurige karakter?) van de Welen te verklaren -er zou in de tachtigjarige oorlog een Spaanse officier zich te buiten zijn gegaan aan een mooie West-Friese!-, terwijl de tweede van haar moeder had gehoord dat de boerderij waarop die was geboren, stond op de plaats van het voormalige kasteel Ilpenstein bij Ilpendam in de Purmer en ze (onze moeder) zich herinnerde dat ze als kind vaak de lange oprijlaan naar haar opa (de Boer) moest afleggen. Over mijn moeders familie (van vaders kant) heeft onze achterneef Gerard de Lange uit Noordwijk een prima boek geschreven: “Op de Lange baan”, uitgegeven in Asten in 1988. Wat mij daarin opviel, was dat hij naast het precieze en uitvoerige naspeuren van de personalia veel boeiends te berde bracht over de sociale omstandigheden van die de Lange’s in de negentiende eeuw. Dat bracht mij op het idee me in deze scriptie te beperken wat betreft de genealogie -daar zijn trouwens, naar ik hoorde, enkele andere familieleden mee bezig en daar is via internet best al wat over te vinden- en slechts drie generaties Welen van Onderdijk als onderwerp te nemen maar dan wel met de nodige couleur locale (et sociale). Ook letterlijk: foto’s in kleur en zwart-wit.

Op internet vindt men als oudste van de Weel-gegevens de namen van drie broers: Sijmen, Gerrit en Jan, die rond 1690 geboren werden in West-Friesland, vermoedelijk in Wervershoof-Onderdijk. ‘Waar’ is niet precies te traceren. Wíj stammen af van Sijmen. Deze kreeg een zoon Jacob (misschien naar zijn opa vernoemd, dus Sijmens vader kan Jacob of Japik, de oude vorm van Jacob, geheten hebben) en de jonge Jacob trouwde rond 1750 met ene Neeltje Appelman en kreeg drie zonen: Krelis, Sijmen en Gerrit en één dochter: Aafje. Ze werden ingeschreven in Hoog- en Laag Zwaagdijk, de ‘gemeente’ waaronder Onderdijk tot 1867 resorteerde. Gerrit werd onze voorvader. Krelis (1751-1827), zijn broer, trouwde met Aafje Bran(d)sen en kreeg twaalf kinderen die uitwaaierden over West-Friesland, b.v. naar Medemblik. Een van de twaalf werd de moeder van de familie Manshanden aldaar en een van haar broers, Jacob Weel Krelisz., trouwde met Aafje Hokkeling, was boer in Medemblik en kreeg een zoon Gerrit (1812-1858) die later in Nibbixwoud woonde. Maar eerst nog even terug naar het viertal van Jacob en Neeltje. Van hun dochter Aafje (geboren in 1760) weten we niets. Van Sijmen (1763-1839) alleen dat hij trouwde met Geertje Molenaar en met zijn vijf kinderen naar Hoorn trok.
Van onze voorvader Gerrit (1775-1830) weten we dat hij trouwde met Cornelia Kapitein en slechts één kind kreeg: Jan (1815-1871). Eerst woonde die wellicht in Zwaag want daar trouwde hij in 1838 met de Zwaagse Trijntje (Catharina) War(de)naar en daar werd op 17 december 1847 ook hun zoon Maarten geboren, maar later gingen ze wonen in Onderdijk. Of het moet zijn dat met de aanduiding “Zwaag” niet het betreffende dorp maar de genoemde ‘gemeente’ werd bedoeld. In elk geval woonden ze, toen Maarten opgroeide, in de Vier Noorder Koggen-polder die door een grote groep molens werd drooggehouden.

Over deze molens is wel wat meer te zeggen. Sinds de oertijd van West-Friesland was er bij het opzetten van boerderijen, zoals de bijgevoegde reconstructietekening laat zien, altijd al rekening gehouden met de aan- en afvoer van het water via (polder)sloten. Sinds de tweede helft van de zestiende eeuw werd de genoemde polder van het Ambacht van West-Friesland bemalen door (uiteindelijk) vierentwintig watermolens. Er staat er nu nog één: de molen bij Aartswoud (een bezoek waard!). Het waren zgn. achtkantige binnenkruiers. Vijftien stonden er ten zuiden van Medemblik bij de (Kleine) Vliet, in 1575 al tien of elf, in 1825 vijftien. Enkele hadden twee scheepsraderen, daarmee kon meer water worden verzet tot op hoger niveau in de tijd dat de Zuiderzee nog vloed kende en het uitwateren dus soms moeilijk was door de hoge zeestand. In 1863 werden ze allemaal ‘vervijzeld’. Maar in 1868-1869 kwam er een hulpstoomgemaal tot stand, waardoor de uitwatering beter en sneller kon worden geregeld. Want door de soms intense regen ging het vooral om uitwatering.

De watermolens ten zuiden van Medemblik met op de achtergrond het stoomgemaal dat hun taak overnam. Enkele van deze molens waren voorzien van twee, op verschillende peilen ingestelde schepraderen. Dit om als tweede trap te kunnen fungeren bij hoge waterstanden van de Zuiderzee.

Het nieuwe stoomgemaal werkte dus eerst samen met de molens. In 1908 werd de stoomenergie tijdelijk vervangen door een zuiggasmotorsysteem maar in 1925 keerde men terug naar de stoomenergie. Toen in 1908 een nieuwe vleugel aan het gemaal werd toegevoegd, werden de molens overbodig. Ze kwamen voor 500 gulden per stuk te koop. De molenaars mochten ze uiteraard zelf kopen, maar kennelijk hadden ze er het geld niet voor want alle molens kwamen in handen van twee ‘opkopers’ J. de Boer uit Oostzaan en A. Droog uit Kolhorn. Ze werden gesloopt in de jaren na 1910 en de molenaarsfamilies, zoals de familie Smak en de familie Winnubst (en misschien al eerder de familie Weel of Smit -daar kom ik op terug-), verhuisden naar Medemblik (de fam. Winnubst naar café ‘de Postduif’ aan de Kaasmarkt), naar Onderdijk (zoals de familie Smak) of naar elders.

 
Stoomgemaal van het voormalige waterschap De Vier Noorder Koggen te Medemblik, in 1869 gebouwd als hulpgemaal voor minstens 24 windmolens. In 1908 uitgebreid met een nieuwe vleugel ter vervanging van de molens. Thans stoommachinemuseum.

 

Sinds 1847 had het mogelijke molenaarsgezin van onze betovergrootvader Jan Weel dus -naast hun andere kinderen: Anna, Cornelis, Nicolaas en Catharina- een zoon Maarten (geboren 17 december 1847- gestorven 14 april 1934) die later ‘de oude Germaan’ genoemd zou worden omdat hij oersterk was. Hij trouwde op 23-jarige leeftijd (12 oktober 1871) in Wervershoof met de vijfentwintigjarige Onderdijkse Divera (Duw) Smit (geboren 9 november 1845- gestorven 26 januari 1927). Deze woonde vóór haar huwelijk onder aan de dijk op het Noordend, een paar huizen vóór het latere Vita Nova. Het bruidspaar ging wonen tussen de boerderij van de latere Jaap de Vries en bakkerij “De Korenschoof” (bakker de Haan) in het huis waar later Henk Henriët en weer later Jan en Tiny Weel-Stroet woonden. Daar werden hun zes kinderen geboren, drie jongens en drie meisjes. De oudste was een stevige dochter (1874-1931), uiteraard Trien (Catharina) genoemd naar grootmoeder Trijntje. Zij trouwde met Simon Rood uit Zwaag en werd daar de in Zwaag nog wel bekende moeder van de elf kinderen Rood die geboren werden tussen1898 en 1918. De oudste zoon van de oude Germaan was Jan, onze opa, later ‘lange Jan’ genoemd. Hij was van 1880 (15 juli, gestorven 10 februari 1956) en trouwde op 7 mei 1906 met Afie Hauwert uit Wervershoof, onze opoe (geboren 31 juli 1880, gestorven 12 augustus 1965). Ik kom uiteraard op hem terug. Na hem kwam Klaas (1882-1936) die met Emma (‘Impie’) Brandsen trouwde en in Nibbixwoud ging wonen waar hij zestien kinderen kreeg. Hun zoon Meindert keerde later naar Onderdijk terug en woonde daar getrouwd met Emma Bos uit Heerhugowaard die zelf -haar moeder heette Neeltje Weel- ook uit de Welen-familie stamde via de reeds genoemde fam. Weel-Bran(d)sen. Wonderlijk is dat dus ook Meinderts moeder Brandsen heette. Meindert stierf in 1995 en Emma in 1996. Ze liggen begaven naast onze ouders op het kerkhof van Onderdijk. “Neef” zei mijn vader altijd. De vierde van Maarten en Duw was Leentje. Ze was -volgens haar dochters die ik goed gekend heb- een levenslustige vrouw met veel sociaal gevoel en trouwde met Klaas Schuitemaker uit Medemblik. Ze leerde veel Medemblikker vrouwen fietsen voordat ze -haar man stierf op jonge leeftijd- met haar drie dochters en haar zoon Martien naar Amsterdam verhuisde om aan de kost te komen.

vanaf het Zijdwerk

Haar zoon Jacob bleef in Medemblik in de fietsenhandel aan het Bagijnhof. De dochters, Dina, Nelly en Jopie, werden winkeljuffrouw en vermaakten de familie en de buurt vanuit het Hoofddorpplein met hun verhalen en hun hartelijkheid. De jongste zoon van de oude Germaan was Cees (1887-1953) die net als zijn oudste broer Jan altijd op Onderdijk is gebleven. Hij hielp zijn vader jarenlang bij zijn opkomende tuindersbedrijf en trouwde met Trien Buis (1888-1960), bij wie hij acht kinderen kreeg, drie dochters en vijf zoons: Tinus, Piet, Jan, Frans en Klaas. Hij was -volgens mijn vader- vooruitstrevend in de tuinbouw en ging voorop in de overgang van de aardappelen en groenten naar de bloembollen. Zijn zoon Jan kwam in grootvader Maarten’s huis te wonen met zijn vrouw Tiny Stroet en dochter Karin. Cees’ dochters Truus en Vera hebben nog lang in het ouderlijk huis -ooit de boerderij van de fam. Bakker-Schaap- gewoond. Het is later vervangen door een nieuwe dubbele woning. De jongste dochter Annie werd mevrouw de Wolf in Monnickendam. De zonen deden ’een goede partij’: Tinus met ‘juffrouw’ Gré Wenners, Piet met de Medemblikse Tiny Visser, Jan met de Onderdijkse gewordene Tiny Stroet, Frans met de onlangs overleden Betty Laan en Klaas met Jeanne Koning, een verpleegsterdochter van een Spanbroekse familie. De laatste van de Weel-Smit-stam was Brigitta (Bregje, gestorven in 1956). Die trouwde met Gerrit Beerepoot uit Wognum waar ze een gezin kreeg dat nogal met onze Welen-tak verbonden bleef omdat mijn vaders oudste broer Jan en jongste zuster Vera daar gingen wonen. Op Onderdijk woonden rond 1950 ook een nicht en een neef van de oude Germaan: Piet Weel in het noordelijkste huis van de Nes en Aagt Manshanden-Weel tegenover de kerk. Ook Simon Weel, de Wervershoofse bierbottelaar, was een neef maar valt buiten dit bestek.

het gezin van de oude Germaan:
zittend: Klaas, Jan, vader, moeder, Trien, Leentje
staand: Impie B., Afie H., Cees, Trien B., Gerrit B., Bregje, Simon R. en Klaas S.

De oude Germaan met zijn jongste zoon Cees en hun hondje

De Westfriese Zeedijk vroeg eeuwenlang veel onderhoud.
Na 1932 kon men stukken afgraven vanwege de aanleg van de Afsluitdijk.

Zo kom ik bij een volgende generatie van de drie die ik wil beschrijven: de kinderen van mijn eigen grootouders: Jan Weel en Afie Hauwert (beiden geboren in 1880). Het waren er zeker meer dan tien, maar omdat in het begin van de vorige eeuw o.a. tijdens de Spaanse griep de medische zorg nog lang niet was wat ze nu is, bleven er zeven over: Tinus (of: Martien, mijn vader), Jan, Nac (of: Ko), Marie (of: Rie), Vera, Cor (of: Kees) en Jaap (of: Jack). Dat sommigen een naamsverandering ondergingen komt door het wonderlijke verschijnsel dat na de tweede wereldoorlog veel jongeren hun namen ouderwets vonden en net als prinses Marijke hun naam ‘moderniseerden’. Mijn vader vond ‘Tinus’ maar niets, dan nog liever ‘Maarten’ net als zijn grootvader. Hij stelde zich voor als ‘Martien’. Hij was de oudste. Ik kom op hem terug.

 

Eerst over het ouderlijk echtpaar: Jan Weel (‘lange Jan’, 1880-1956), die op 7 mei 1906 trouwde met Afie Hauwert (1880-1965). Zij was van de bekende Wervershoofse familie Hauwert en had veel gevoel voor ‘mooi en best’. Ze had veel broers en maar één zuster, die later de moeder zou worden van pastoor Cor Bakker van Rotterdam en Sassenheim, mijn vaders heerneef. Hij was enig kind.

De familie Weel-Hauwert
Van links naar rechts omringen Tinus, Vera, Kees, Nac, Jaap, Marie en Jan hun ouders.

Toen zij bij Jan Weel op Onderdijk kwam wonen, huurden ze eerst een deel van het huis van Puck de Boer in de Nes, maar al spoedig kochten ze het huis dat tussen de boerderijen van Jacob (Meindertsz.) Hetsen en Luit van Velzen in stond aan de Onderdijkkant van het Zuidend tegenover de toenmalige lagere school. Daar werden de kinderen geboren, die graag bij Hetsen speelden en bij hun niet ver weg wonende opa Maarten en Opoe Duw. De school was eerst nog niet katholiek, zodat mijn vader (1907-1995) enkele keren per week naar Wervershoof moest om de katechismus te leren. Hoepelend en tollend en bij thuiskomst eerst even aan de rekstok. Want hij was sterk en lenig en werd zowaar een van de oprichters van de plaatselijke voetbalclub “Strandvogels”. Met een (houten) schuit ging opa Jan -soms met zijn vader en zijn broer Cees- elke dag de polder in om wat aardappelen, wortelen en kool te verbouwen. Hij was heel blij met een meevallertje, zoals toen de molens van de Vier Noorder Koggen werden afgebroken omdat het Stoommachinegemaal de bemaling overnam en het molenhout gedeeltelijk mocht worden opgehaald door de relaties van de vroegere molenaars. Hij kon het best gebruiken om de kanten van de ‘wik’ (het water voor de schuit naast het huis) te versterken. Mijn vader -pas een jaar of vijf oud- hielp hem, want om te helpen werd je geboren. Uit dit gegeven maak ik op dat óf de Welen óf de Smitten (tijdelijk?) op een van de molens hebben gewoond of in elk geval contact hadden met de afgedankte molenaars. Oma Weel was psychisch niet zo sterk, postnatale depressies noemen ze dat tegenwoordig. Haar man had zijn handen vol aan vrouw, kinderen en werk, maar hij was daarop gebouwd. Hij was ernstig en arbeidzaam, zij goedlachs en gezellig. Hun zoon Jan (1908-1983) was knap (van uiterlijk), die kon ‘voor de kraam om’ zoals men toen zei. Zijn moeder zorgde dat hij mooie kleren had en de mooiste karweitjes kreeg, zoals met puike producten naar de markt in Medemblik varen. Mijn vader -ook niet lelijk- had het daar wel eens moeilijk mee, die was er meer voor het werk dan voor de show. Jan trouwde later met Marie Bakker (1909-1954), enige, veel te jong gestorven dochter van Klaas Bakker en Griet Schaap, met wie hij ging wonen in Wognum. De oudste dochter was Marie (1914-1991), peettante van mijn zus Ria -die ook naar haar vernoemd- is en van mij, zijzelf vernoemd naar de gestorven opoe Hauwert. Zij was een reuze steun voor haar vader en moeder en is dat altijd gebleven. Toen ze in ondertrouw was met Theo Wijnker uit Venhuizen kwam deze tijdens de bruidsdagen te sterven ten gevolge van een blinde darm-operatie. Ze was jarenlang zielsbedroefd maar vestigde zich na enige jaren op Texel als kraam- en bejaardenverzorgster en leefde daar op kamers bij de familie Smit in Den Burg waar ze op hoge leeftijd stierf. Ze ligt begraven in Onderdijk. Ze was een jaar jonger dan Nac (van ‘Nicolaas’, vernoemd naar oom Klaas in Nibbixwoud) die voor ons een fijne oom was omdat hij altijd iets origineels bedacht voor kinderen. Hij trouwde met Geertje Laan (“moeder voor velen”) en ze gingen wonen in het renteniershuis van de familie Bakker-Schaap naast de stolp van de familie Weel-Buis. Wij waren daar als kinderen kind aan huis, want hun acht kinderen waren van onze leeftijd en het was daar altijd gezellig. Nog steeds betreuren wij het dat ‘ome Ko’, zoals wij hem noemden, zo vroeg gestorven is (net als later zijn oudste zoon Jan). Ze verhuisden nog tijdens zijn leven naar het huis van opa en oma Weel -naast ons- toen die overleden waren. Van hun kinderen is er maar één op Onderdijk blijven wonen: Sjaak die met zijn (en ons) buurmeisje trouwde: Ria Steltenpool. De andere waaierden uit: Jan en Jaquelien naar Zwaagdijk-West, Elly naar Zwaag, Afra naar Opmeer, Maarten naar Australië, Jos (van ‘Los’) naar Westerwijzend (bij Hoogkarspel) en Nico naar Frankrijk. Familie en buren tegelijk; dat ging in dit geval heel goed! De jongste dochter van Jan en Afie was Vera, genoemd naar opoe Duw Smit. Ook zij heeft in haar jonge jaren lange tijd voor vader en moeder gezorgd en trouwde met de vroeggestorven Joop Veken uit Wognum met wie ze vier dochters en een zoon, Joop jr., kreeg. Onder Vera kwam Cor, later Kees. Hij deed de vondst van zijn leven toen hij bij de fam. Schouten (Dorus, Teun en Marie) in Onderdijk de daar logerende Nelly Boekweit uit Bovenkarspel leerde kennen met wie hij op een door de sneeuw onmogelijke winterdag trouwde. Ze kregen op Hoofdstraat 200 Bovenkarspel tien kinderen. Tenslotte was er de jongste zoon, Jaap, die vanwege zijn contact met de ondergrondse en de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog Jack genoemd werd. Hij vond in die kringen ook zijn vrouw Cokky Wittebrood, een bijzondere persoonlijkheid, de chicste van onze familie. Ze was koerierster bij de illegaliteit en wist door haar aantrekkelijk voorkomen heel wat Duitsers om de tuin te leiden. Ze woonden in Den Helder en kregen drie dochters en één zoon, Jack jr. Deze werd postuum geboren want Jack sr. kwam, tweeëndertig jaar jong, in 1952 bij een verkeersongeluk om het leven terwijl zijn vrouw in verwachting was. In de familie is er zelden iemand dieper betreurd geweest. Hij was een originele en overal met plezier aanwezige persoon, heel leuk voor kinderen. De hiervoor afgedrukte foto is een statieportret van het gezin Weel-Hauwert daterend uit de latere jaren dertig.

Het leven van onze grootouders is niet altijd over rozen gegaan. Een zo groot gezin in de vooroorlogse crisistijd, dat van een klein tuindersbedrijf moest leven, was geen sinecure. Alle hoop was gebouwd op het groter worden van de kinderen. Die waren gelukkig gezond en werklustig. Toen rond 1925 de oude boerderij van de familie Jacob Wever (naast die van boer Bakker) waar veel mogelijke tuinbouwgrond bijhoorde, te koop kwam, heeft grootvader Jan in het bijzijn van zijn oudste zoon in het plaatselijke café waar de verkoping plaatsvond “moin” geroepen met zo’n klap op de tafel dat de glazen ervan schudden. Het was dé beslissing van zijn leven. Het huis moest worden gesloopt (van de restanten werd nog een grote schuur gebouwd) en op de plaats ervan kwamen twee burgerhuizen die in precies dezelfde stijl werden opgetrokken. Ze staan er gelukkig nog: een niet-identieke tweeling.


Huize Margriet

Op 4 augustus 1932 trouwden Martinus Weel en Anna de Lange -ze was een achternichtje van de familie Hetsen- in Ilpendam. Er waren vier opa’s van het bruidspaar aanwezig (geen enkele oma): Weel, Hauwert, de Lange, de Boer. Korte tijd later stierf de vader van de bruid, met als gevolg dat haar enige broer, Jan de Lange (zussen had ze niet), in Onderdijk kwam inwonen -hij stierf op 3 juli 2005- en tevens zijn zwager helpen bij het tuinbouwwerk ‘op de bouw’. Deze trouwde later met de Onderdijkse Marie Keizer bij wie hij tien kinderen kreeg in Wervershoof. Onze ouders kregen in die economisch toch al zo moeilijke jaren een diep verdriet te verwerken: hun eerste dochtertje werd doodgeboren. Gelukkig waren hun andere kinderen gezond: vier werden er vóór de oorlog geboren, twee tijdens de oorlog en vier erna. In die jaren zette de bollenteelt zich door, waardoor -na de oorlogsellende- er een bescheiden welvaart groeide. Vanaf 1948 mochten alle kinderen verder studeren: de vijf meisjes intern bij de zusters van Bergen, twee jongens intern op Hageveld in Heemstede, twee op de plaatselijke tuinbouwschool en de jongste op Werenfridus in Hoorn. Maar daarmee ben ik aan de derde generatie Welen begonnen.

Weel-de Lange

Ons gezin had het met vier vóóroorlogse kinderen rond 1940 niet gemakkelijk. Onze vader moest bij de mobilisatie in 1939 aantreden als soldaat. Hij verbleef bij het begin van de oorlog in de omgeving van Den Helder bij Julianadorp en daarna werd hij naar Vlieland gestuurd om de kust daar te bewaken. Later vertelde hij er met stoerheid over, maar onze moeder en onze oudste zus herinnerden zich naderhand dat hij soms de tranen in de ogen had als hij na een kort verlof weer moest vertrekken. Eenmaal thuis zette hij zijn tuinderij voort met tarwe, tabaksplanten en bonen naast de gewone aardappelen en groenten en wij probeerden zo gauw mogelijk wat te helpen. Ik herinner me hoe, als er ‘fietsenrazzia’ was, de fietsen uit de schuur door mijn moeder in de daarachter liggende sloot werden gesmeten om ze aan de Duitsers te onttrekken, iets wat op ons als kinderen grote indruk maakte.

Twee broers van onze vader, Jan en Jaap (=Jack), waren bij ‘de ondergrondse’ en verzochten onze ouders de op Zwaagdijk gedropte wapens op onze schuurzolder te verbergen. Onze moeder vond dat gevaarlijk maar onze vader zag het als burgerplicht, dus het mocht. Ik heb zelf een keer enkele ‘moffen’ de schuurzolder zien betreden -we waren daar bezig met aardappelen spruiten- op zoek naar onderduikers en wapens, maar gelukkig was hun inspectie oppervlakkig (of waren er ook saboterende Duitsers?) zodat we er zonder kleerscheuren vanaf kwamen.

De gedropte wapens waarvan de containers volgens bijgaande foto werden gedumpt in ‘het weeltje’ (=meertje ten gevolge van dijkdoorbraak) van Zwaagdijk werden, zegt men, opgeslagen bij de Oost-Zwaagdijkse eendenkooi, maar ik meen te weten dat ook onze schuur er mee belast is geweest. Gaarkeuken en drinkwaterstop, loopgraven in de dijk vóór ons huis en de kerkklokken aan touwen naar beneden gehaald, Amsterdamse mee-eters in de hongerwinter en overvliegende Tommies, we herinneren ons ze ons leven lang. Op zaterdag 5 mei 1945 mocht ik namens mijn ondergrondse oom Jack -ik was misdienaar- de pastoor in alle vroegte gaan meedelen dat we inderdaad ‘vrij’ waren en de mensen in de kerk kregen dus te horen dat “een oom van deze misdienaar die bij de ondergrondse is, het officieel heeft bevestigd”. Ik glom van trots toen de kerkgangers míjn boodschap verder verkondigden en de vlaggen werden uitgestoken. Intussen hadden onze ouders vier dochters en twee zoons. Als er weer een bevalling in aantocht was, werden we -niet allemaal tegelijk!- voor enkele dagen uitbesteed aan ons moeders moeder die inmiddels hertrouwd in De Weere was komen te wonen. Ik heb daar onuitwisbare herinneringen aan en voeg hier een afbeelding bij van dat toen zo rustieke dorp die helemaal de sfeer van toen weergeeft. Er waren daar kloosterzusters met wapperende kappen en kerkgaande boeren in tilburies op zondag. En boomgaarden met appels en peren: de hele week!
Elke dag gingen we met oma naar de afgebeelde Lambertuskerk. Ze woonde naast een boer met zo’n boomgaard en een bakker met kinderliefde, wat wil je als kind nog meer? We maakten er ook het bevrijdingsfeest mee in de herfst van 1945. Op een versierde kar.

 

In 1947 moest ik –net als een flink aantal leeftijdgenootjes- voor zes weken naar het vakantiekoloniehuis St. Joseph in Egmond aan Zee. Kinderen die door de oorlog waren verzwakt kwamen volgens zuster Molenaar daarvoor in aanmerking. Voor mij was het als een eerste buitenlandse reis. We vonden het er niet prettig maar hebben daardoor, denk ik, later niet meer zoveel last van heimwee gehad omdat we ‘ervaren’ waren. Eenmaal thuis werd ik knechtje van koster Kreel onder de veilige hoede van pastoor van Sante die in mij -met mijn instemming- wel een toekomstige priester zag. Geschikt voor het bedrijf van mijn vader was ik niet, dan maar in de wijngaard des Heren! Net als Wim Appelman die in 1950 priester werd gewijd. Voor missionaris was ik niet gebouwd.

Ik maak van dit moment gebruik om iets meer te vertellen over de geschiedenis van de Onderdijkse parochie en van het kerkgebouw dat zo bepalend is voor het silhouet van ons dorp. Ik ontleen de hier volgende gegevens aan een serie artikelen hierover van wijlen deken J. Th. M. Kraakman in “Binding” van 1975. Van 1582 tot 1795 hoorde het dorpje Onderdijk bij de gemeente Medemblik, al gingen de (weinige) dorpelingen op enkele Noord-enders na meestal naar de schuilkerk van Wervershoof die tot 1805 op de toenmalige Lagedijk (later Simon Koopmanstraat) was gelegen. Parochiëel hoorden ze daar ook bij, gemeentelijk niet. Zoals ik al aangaf, kwam er rond 1795 bij het overwaaien van de Franse Revolutie verandering in die situatie: Onderdijk hoorde vanaf die jaren tot 22 december 1867 bij de gemeente Hoog- en Laag Zwaagdijk. Het gemeentehuis stond in Zwaag. Terwijl er in Wervershoof na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 een nieuw, groot kerkgebouw werd voorbereid dat er in 1875 zou komen, kwamen er in Zwaagdijk en Onderdijk plannen op om een eigen kerk (en dus parochie) op te zetten. In Zwaagdijk lukte dat al gauw omdat enige rijke boeren daar flink in hun buidel tastten en het bisdom daar ook toen al gevoelig voor was. Het eerste plan betreffende Onderdijk is van 1872, de eerste tekening (van dezelfde architect als die van Wervershoof) is van 27 februari 1873. Het eerste verzoek om goedkeuring van het bisdom is van 6 maart 1873. Maar het kerkbestuur van Wervershoof wilde er niets van weten: in de verslagen werd er lange tijd geen woord over genoteerd. Achttien brieven zijn er over deze kwestie in het bisschoppelijk archief bewaard gebleven. Pastoor van Maaseland van Wervershoof lijkt in de eerste acht brieven wel wat te voelen voor de wensen van de Onderdijkers. Maar op 10 juni 1873 moet hij een negatieve beschikking van de bisschop bekend maken. Het comité, bestaande uit Piet Swart, Jaap Laan (die waren beiden lid van het Wervershoofse kerkbestuur), Piet Bakker, Jaap Zwart en Jan Laan, was zeer teleurgesteld. De redenen waren: te weinig geld, zeker voor de spullen ín de kerk en voor het onderhoud van een eigen pastoor. Bovendien konden de Wervershovers de al toegezegde bijdragen van Onderdijkers voor hún nieuwe kerk niet missen. De pastoor volgde de bisschop, maar in Onderdijk verweet men hem dat hij zich had laten ompraten door de twee Wervershoofse kerkmeesters die fel tegen waren. Bovendien was hij te ziek en te zwak om tegen hen op te kunnen. In Wervershoof vond men juist dat hij teveel met de Onderdijkers meeging. Er zat oud zeer bij de Onderdijkers: dat de schuilkerk in 1805 van de Lagedijk naar de Dorpsstraat was verplaatst, betekende voor hen een langere weg over o.a. een stuk weiland om ter kerke te gaan. De sfeer was verknoeid: iedere betrokkene kreeg dreigbrieven en geroddel over zich heen. Maar het besluit stond vast: wel een nieuwe kerk in Wervershoof, voorlopig niet in Onderdijk. In 1902 en 1909 werden er door een nieuw comité, bestaande uit de heren Sijm, Mettes, Mol en Kunst, pogingen gedaan in elk geval een bijkerk op Onderdijk te krijgen, maar ook hun pogingen mislukten. Pas in 1918 werd Gerardus van der Meer benoemd tot kapelaan te Wervershoof met de opdracht een nieuwe kerk en parochie voor te bereiden in Onderdijk. In 1919 kwam er een noodkerk en een definitieve pastorie en op 17 september 1929 werd door bisschop Aengenent de kerk van Onderdijk geconsacreerd. Na Van der Meer kwam pastoor Vijverberg, daarna pastoor van Sante, na hem de pastoors Geels, van de Burg en Simons en intussen zijn toch weer de pastores van Wervershoof (Suidgeest en Voss) de aangewezenen voor Onderdijk.

Terug naar de familie Weel. Ik was bezig met mezelf en met pastoor van Sante. Op school kreeg ik extra lessen ter voorbereiding op het seminarie Hageveld. Samen met twee andere ‘doorleerders’: Piet Appelman en Clemens Vink. Onze vader bleek in die jaren een goede bollenbouwer te zijn: de welvaart in ons gezin nam rond de jaren vijftig alleen maar toe mede omdat onze moeder goed met geld om kon gaan. Uiteindelijk waren er tien kinderen: vijf meisjes en vijf jongens, gelukkig goed gezond en allemaal hulpvaardig opgevoed. In 1948 ging onze oudste zus, Afra, naar de zusters Ursulinen van Bergen om zich voor te bereiden op haar loopbaan als verpleegster. Ze trouwde daarna met de Onderdijker Joop Bijvoet en kreeg een zoon en drie dochters. Ook de andere vier meisjes kregen een vervolgopleiding in Bergen. Nog twee anderen van ons tiental trouwden met Onderdijkers: Corrie, onze tweede zus, zij werd in Bergen opgeleid tot onderwijzeres en oefende haar beroep uit in onze geboorteplaats. Ze trouwde daar met Siem Grooteman en kreeg er haar twee dochters en twee zonen, van wie de oudste, Maarten, helaas jong overleden is. En onze broer Maarten, eertijds Martien genoemd naar onze vader, trouwde met Anneke Kaarsenmaker. Hij nam in eerste instantie het bedrijf van vader Weel over, maar verkocht dat later aan Siem Grooteman, onze zwager, en werd zelf activiteitenbegeleider op Duin en Bosch. Ria, Mieke en Vera, onze jongste zusjes, trouwden en verlieten daarmee ons geboortedorp. Dat laatste geldt ook voor onze broers Jan -zijn oudste zoon heet natuurlijk Maarten-, Han(ne)s en Koos. Ikzelf, oudste zoon maar genoemd naar de vroeg overleden vader van onze moeder, werd na Hageveld en Warmond kapelaan en leraar. Sinds 2003 ben ik gepensioneerd als pastoor van Hoorn waar ik in 1984 pastor werd.

 
locatietekening door buurman Cees Grent

Hierbij voeg ik een afstammingslijstje van ons pasgeboren achternichtje, kleindochter van onze stamhouder Jan Weel in ’t Zand.

Afstamming van Jasmijn Weel:

Jasmijn Weel Maartensz, geboren 30 maart 2005 te Den Helder, wonende in Schagen
d. v. Maarten Weel Jansz., geboren 5 maart 1973 te 't Zand (N.H.) en Melissa Tiller
z. v. Jan Weel Maartensz., geboren 19 mei 1941 te Onderdijk/W'hoof en Joke Sneekes
z. v. Martinus Weel Jansz.,geboren 10 mei 1907 te Onderdijk/W'hoof en Annie de Lange
z. v. Jan Weel Maartensz., geboren 15 juli 1880 te Onderdijk/W’hoof en Afie Hauwert
z. v. Maarten Weel Jansz., geboren 17 december 1847 te H. en L. Zwaagdijk en Duw Smit
z. v. Jan Weel Gerritsz., geboren in 1815 te. Zwaag en Trijntje War(de)naar
z. v. Gerrit Weel Jacobsz., geboren in 1775 te H. en L. Zwaagdijk en Cornelia Kapitein
z. v. Jacob Weel Sijmensz., geboren rond 1750 te Onderdijk en Neeltje Appelman
z. v. Sijmen Weel, geboren na 1700 in Onderdijk; twee broers: Gerrit en Jan
misschien zoon van Jacob of Japik Weel in Onderdijk (?) geboren vóór 1700

Daarmee ben ik aan het einde van een in wezen eindeloos verhaal. Zoals ik hiervoor al schreef: aan afkappen valt niet te ontkomen. Ik ben me ervan bewust dat over de andere takken van onze familie, ja over alle families misschien wel boeiender verhalen zijn te vertellen, maar het hemd is nu eenmaal nader dan de rok. Het lijkt me aardig hieronder tot besluit een wandelroute af te drukken die ik iedereen aanbeveel, ook al hebt u niets met de familie Weel of met Onderdijk. Dan weet u in elk geval waar eens veel mensen gelukkig zijn geweest en hopelijk nog zijn.

 

 
 
 

Klik hier om deze scriptie in  PDF formaat te openen met het programma Adobe Reader.

Klik eventueel op de knop hieronder om Adobe Reader gratis te downloaden:

 

     
Home |  © Gerard Weel |  ga naar boven